Kunstenaar Bramburger liet zich op Korfu door natuur omverblazen

HIJ ZIET ERUIT ALS PAULUS DE BOSKABOUTER EN HIJ WOONT OOK IN EEN HUISJE IN HET WOUD. VERDER HOUDT ELKE VERGELIJKING OP....

Hij schildert en tekent, maakt grafiek en keramiek. Bovendien heeft hij twee jaar lang exposities georganiseerd in het Tentoonstellingscentrum van Guben. Daar is tot 8 augustus ook een keuze uit zijn werk te zien: Griekse impressies, ontstaan tijdens de reizen die hij de afgelopen jaren maakte naar Thassos, Rhodos en Korfu.

Bramburger liet zich er omver blazen door de natuur: de zee 'met duizend kleuren blauw', vogels en vissen, bomen als dansende figuren. 'Je weet niet waar je kijken moet als je alleen maar grauwheid bent gewend. Ik ging er aanvankelijk heen voor vakantie, maar ik was zo overdonderd door wat ik zag, dat ik alleen nog maar kon werken.'

Die beelden heeft hij opgeslagen in aquarellen, etsen en schilderijen. Kleine man in grote wereld: soms is het meest afgezaagde onderwerp hem niet plat genoeg. Hij zou de kijker dood kunnen gooien met landschapjes-zus en zeegezichtjes-zo, met portretten van mannen naast bepakte ezels, met zwevende vogels voor de ondergaande zon. Opgeverfde vakantiekiekjes zijn het, groter en hooguit wat grilliger dan het stapeltje dat je na twee weken Kreta afhaalt bij de 24 uurs-fotoservice. Maar in het werk van Bramburger is het af en toe ook alsof hij het leven op de staart trapt. Dan klopt het allemaal, in krasserige close-ups van verkreukelde oude mensen. Dan zie je zelfs de schaduwen van een haast eindeloze reeks aquarellen-met-olijfboom veranderen van kleur.

'Ik weet best wat ik kan', lacht Bramburger. Hij vindt dat hij ook de clichés moet vangen, omdat ze dan pas 'blijven kleven' in zijn hoofd. Hij is geen Japanner die, ziende blind, rondsjouwt met een voortdurend klikkende camera om er thuis achter te komen dat hij in Europa is geweest.

Voor zijn kunstenaarschap betekent, zegt hij, de mogelijkheid tot vrij reizen een enorme impuls. 'Anders was ik er nooit achter gekomen dat mijn oude schilderijen er nogal flets uitzagen.' Tot 1990 was hij wel eens 'in Slowakije, in de Kaukasus, in Azië' geweest. Hij schaamt zich geenszins voor het werk dat in die periode tot stand kwam, maar hij voelde de aandrang verder te gaan. Kleuren kijken.

Kleermaker werd hij, in Guben, omdat zijn vader het was. Pas in 1962 kon hij zich richten op een studie aan de school voor schilderkunst en grafiek in Cottbus. Nadien kreeg hij een baan, eerst als kraandrijver en later als zeefdrukker, bij de grote Chemiefaser-fabriek. Die fungeerde destijds als werkgever voor de halve Gubener beroepsbevolking, en liet affiches en ander ondankbaar spul in eigen beheer vervaardigen.

'Je mocht blij zijn als je er eens iets met kunst kon doen', zegt Bramburger, die ook niet echt zat te wachten op het zoveelste arbeidersportret, of op vier meter hoge afbeeldingen van een of ander socialistisch kopstuk. Weinig eer aan te behalen. Maar het moest - en het stelde hem in staat dingen te maken die hij zelf wel mooi vond.

In 1971 ontving hij de Carl Blechen-Prijs, zes jaar later kwam er een medaille bij als dank voor zijn kunstige verdiensten voor het hele volk. De keramiekclub die hij leidde, werd in 1983 uitgeroepen tot 'uitstekend volkskunstcollectief'. Hij kon af en toe eens meedoen aan een kunstenaars-uitwisseling over de grens, en het werd nog door de overheid betaald ook. Maar in 1990 overkwam hem wat zoveel mensen gebeurde: je halve leven onwillekeurig je best gedaan voor partij en regering, en toch aan de dijk gezet.

Bramburger had nog geluk. Hij kon een paar jaar aan de slag als beheerder en organisator van het Gubener Tentoonstellingscentrum. Sinds eind 1993 is hij, eigenlijk noodgedwongen, zelfstandig kunstenaar. Daar legt hij geld op toe. Wijzend naar zijn werk: 'Het is te koop, bijna alles is te koop. Maar niemand wil het hebben. Al kost het niet veel, hier zijn maar weinig mensen die het kunnen betalen.' Dat is vervelend, niet vreselijk. 'Ik mag mijn thema's zelf uitkiezen, arbeidersportretten zijn er niet meer bij. Ik krijg wat geld, zonder dat ik ervoor hoef te werken. Soms kan ik op reis.' Henrico Prins

Meer over