Kunst verklaard voor de gewone onnozelaar SIMON SCHAMA BESTRIJDT BLOEDELOOS MODERNISME

HET IS ALS met Mondriaan, de grootmeester van het 'neo-plasticisme', die zelfs op het hoogtepunt van zijn roem bleef zoeken naar vernieuwing....

Ook Schama zul je nooit kunnen betichten van dorheid of onbeweeglijkheid. Hij richt zijn blik naar achteren en naar voren, opzij en naar boven. Over de Nederlandse bourgeois-cultuur in de Gouden Eeuw schreef hij, over de Franse Revolutie, over mythen die rond landschap en natuur ontstonden. Hij is geen historicus die zich ingraaft in één onderwerp en daaruit zijn leven lang intellectuele bevrediging put. Simon Schama is een veelonderzoeker, een veelweter en, bijgevolg, een veelschrijver.

Al enige tijd schrijft hij behalve lijvige historische studies ook kunstkritieken. Dat is een logische stap voor diegenen die zijn visie op cultuur en de bestudering daarvan kennen. Bij de publicatie van zijn in Nederland beroemdste boek, The Embarrassment of Riches (in het Nederlands vertaald als Overvloed en onbehagen - De Nederlandse cultuur in de Gouden Eeuw), zei hij de grens tussen cultuur met een grote en een kleine c te willen afbreken. 'Kunst geplaatst op een voetstuk, die niets te maken heeft met een gemeenschappelijke gevoelswereld, die bestaat niet volgens mij.'

En dus is er voor Schama geen wezenlijk onderscheid tussen bijvoorbeeld een beschrijving van de kunstmarkt in het zeventiende-eeuwse Holland, en een kritische beschouwing over de landschapsschilderkunst van Jan van Goyen. Dit valt te verantwoorden vanuit de gedachte dat in de zestiende en zeventiende eeuw kunstpraktijken zeer marktgebonden waren. Moeilijker wordt het zodra je deze opvatting toepast op de moderne tijd, op een tijd waarin kunstenaars los van hun 'culturele leefwereld' succesvol zijn of juist helemaal niet. Algemene kennis van cultuurgeschiedenis is dan niet meer voldoende om prikkelende beschouwingen te schrijven over fenomenen als Mondriaan, David Hockney en Ellsworth Kelly.

Toch is dit wat Schama nastreeft in zijn nieuwe bundel Kunstzaken - Over Rembrandt, Rubens, Vermeer en vele andere schilders. Zijn vaste uitgever Contact besloot de artikelen te bundelen die hij vanaf 1984 in Amerikaanse tijdschriften, maar vooral in The New Yorker publiceerde. Het boekje, fraai gebonden en in een voor Schama ongebruikelijk handzaam formaat, verschijnt alleen in het Nederlands. En dat doet vermoeden dat we hier met een gelegenheidsuitgave van doen hebben, met een commercieel 'akkefietje'.

Schama is in dit boek op zijn best, en dat is niet verrassend, zolang hij zich tot de zeventiende en achttiende eeuw beperkt. Hij is op de hoogte van lang slepende academische discussies, als die tussen de Nederlandse 'peetvader' van de iconologie Eddy de Jongh en de Amerikaanse kunsthistorica Svetlana Alpers, en hij weet deze in redelijk kort bestek helder samen te vatten.

Maar aan het debat op zichzelf, dat draait om de vraag hoe de kunst uit de Gouden Eeuw te interpreteren valt - als empirische weerslag van wat men om zich heen zag, of als zinnebeeldige voorstelling vol verborgen betekenissen - weet hij weinig toe te voegen. Op zijn hoogst komt hij uit op een compromis dat zo onwankelbaar is dat het geen sprankje spanning genereert.

Zo schrijft hij in 'De wraak van de Hollandse meesters': 'Het geheim van de genoegens die de Hollanders ons met gulle hand vertonen, zit hem misschien in het vrolijk door elkaar lopen van werk en spel, plechtigheid en pret, beschrijven en voorschrijven.' En hij sluit zijn essay af met de retorische vraag: 'Als wij oog in oog staan met schilderijen die zich verheugen in hun vruchtbare dubbelzinnigheid, wie zijn wij dan om ze in onze bloedeloze, moderne helderheid te willen persen?'

De moderne tijd is in 'De wraak van de Hollandse meesters' nog geruststellend ver weg. Want eerst volgen beschouwingen over Vermeer (naar aanleiding van de grote Vermeer-tentoonstelling twee jaar geleden), het ontstaan van het typische, panoramische, Hollandse landschap en over pronkstillevens van De Heem en Heda. Maar die slotzin werpt z'n schaduw wel ver vooruit op de tweede helft van het boek.

Daarin buigt Schama zich over moderne twintigste-eeuwse kunstenaars, die, met uitzondering van David Hockney, allemaal het tijdelijke voor het eeuwige hebben verwisseld. In die bijdragen toont hij zich trouw aan z'n oude adagium, dat een historicus zijn gelijken onder de doden vindt. Maar hij toont zich ook een romantisch bestrijder van die 'bloedeloze, moderne helderheid', die hij gelijkstelt met modernisme.

Het modernisme heeft in zijn optiek vooral 'standaardcategorieën voortgebracht die kunstcritici handig vinden'. Cézanne bijvoorbeeld staat te boek als 'proto-kubist' en Ellsworth Kelly als 'erfdrager van Mondriaan', 'protominimalist' en 'ontwikkeld formalist' - allemaal afschuwelijk obscure termen, die volgens Schama geen van alle bij de kunstenaars passen en die bovendien bij het gewone publiek 'het moeilijkheidsalarm laten afgaan'.

Tegen allebei stelt hij zich teweer. Hij wil kunst inzichtelijk maken voor - populistisch gezegd - de gewone onnozelaar die in het werk van Kelly 'alleen maar grote, vlakke, heldere vormen ziet en zich snel uit de voeten maakt met de woorden: Lamazitte'. En hij wil de kunstenaars herdefiniëren in het kunsthistorische spectrum - een veel pretentieuzere opzet.

In het eerste slaagt Schama aardig. Hij schrijft wendbaar, zonder jargon, persoonlijk (veel in de 'ik-vorm'), maar ook lemig en gezwollen, met veel, héél veel grootse bijvoeglijke naamwoorden (Cézanne's stillevens bijvoorbeeld, zijn 'monumentale objecten van onuitputtelijke contemplatie').

In de tweede opzet slaagt hij simpelweg niet. Of het nu om het werk van Cézanne gaat, de vergeten 'anti-modernist' Stanley Spencer of de aan Winslow Homer herinnerende landschappen van Alex Katz, na eerste en tweede lezing van zijn artikelen ben je niet veel meer te weten gekomen over de plaats van deze schilders (beeldhouwers blijven buiten beschouwing) in de kunstgeschiedenis dan je al wist.

De methode die Schama aanwendt om de modernistische dogmatiek te ondergraven en de klassiek-modernen te herpositioneren, komt neer op een tamelijk platte 'verpersoonlijking' van de kunst. Schama voert de lezer op zijn speurtocht naar kennis en inzichtelijkheid langs eindeloze, biografische verten die de K van de besproken Kunst onderstrepen. Daarmee schrijf je geen wereldschokkende beschouwingen, maar op z'n best aardige recensies, waarvan je je moet afvragen of ze de moeite van het bundelen waard zijn.

Lucette ter Borg

Simon Schama: Kunstzaken - Over Rembrandt, Vermeer en vele andere schilders.

Contact; 240 pagina's; ¿ 49,50.

ISBN 90 254 2465 1.

Meer over