Kunst die uitblinkt in kaalslag

Op de ‘onkunst der tirannen’ rust een taboe. Moet je de megalomane kunst uit het Derde Rijk tonen en analyseren?...

Paul Depondt

‘Sinds het doek over het Derde Rijk is gevallen’, schreef de cineast Hans Jürgen Syberberg in zijn geruchtmakende boek Vom Unglück und Glück der Kunst in Deutschland nach dem letzten Kriege, ‘durft niemand meer er een kijkje onder te nemen.’ Toen bijna twee jaar geleden in het Duitse Schwerin een tentoonstelling was te zien van Arno Breker, de favoriete beeldhouwer van Adolf Hitler, ging dat gepaard met scheldkanonnades en heftige polemieken. Actievoerders verklaarden tijdens een bezetting van het museum, het anders zo rustige en kleine Schleswig-Holstein-Haus, de expositie gesloten. Op de ‘onkunst der tirannen’ rustte een taboe. Ook al was het geen hommage, maar eerder een provocatie, het tonen van beelden van meeloper Breker was volgens tegenstanders een soort ‘bagatelliseren’ van wat er zich in dat Derde Rijk had afgespeeld.

In Beelden voor de massa – Kunst als wapen in het Derde Rijk noemt kunsthistoricus Michel Peeters de tentoonstelling in Schwerin een soort kentering. Naar eigen zeggen is zijn boek ‘het resultaat van ruim zeven jaar zoeken en speuren’. Volgens Peeters komt pas nu ‘het onderzoek naar de kunst van deze periode op gang’.

Waar heeft hij die zeven lange jaren gespeurd en gezocht? Nergens tref je ook maar iets over de discussie over oorlogskunst aan, die nochtans al ruim dertig jaar woedt, en ook nergens heeft hij het over de Revisionismusstreit tussen voor- en tegenstanders van het tonen en het kritisch interpreteren van nazistische kunst. Het meest recente boek dat hij in zijn bibliografie noemt, dateert uit 1992 – zestien jaar zijn inmiddels verstreken. Zijn studie omvat twee delen, volgens de regels van een klassieke scriptie: ‘De theorie achter de nationaal-socialistische esthetiek’ en de toepassing in ‘De nationaal-socialistische ideologie in beeld’. Het eerste deel is een soort elementaire cursus over de nazistische ideologie, het tweede een vrij oppervlakkige analyse van de beeldtaal van het Derde Rijk.

Peeters bestudeert ‘de kunst van het verleiden’ en de symbolen die daartoe werden gebruikt, maar nergens tref je een verwijzing aan naar Masse und Macht waarin Elias Canetti zo helder ‘de wisselwerking tussen de mensenmenigte en de macht van de uit die menigte voortgekomen leider’ ontrafelt. Geen Syberberg, geen Lionel Richard (Le nazisme & la culture), geen Dominique Pélassy (Le signe nazi), geen Frederic Spotts (Hitler and the Power of Aesthetics) of Lynn H. Nicholas (The Rape of Europa – The Fate of Europe’s Treasures in the Third Reich and the Second World War), geen Steven Bach (The Life and Work of Leni Riefenstahl) of Robert S. Wistrich (Weekend in Munich – Art, Propaganda and Terror in the Third Reich) – om maar een paar tussen veel andere nazi-exegeten te noemen. Ook nergens vernoemt Peeters de opmerkelijke exposities van ‘tirannenkunst’: Art and Power – Europe under the dictators 1930-45 in Londen (1995) of Kunst und Diktatur in Wenen (1994). Is er dan na 1992 niets meer geschreven over nazi-kunst, wat zijn bibliografie doet vermoeden? Is het doek dan in 1992 dan toch gevallen, om Syberberg te parafraseren, over het onderzoek naar ‘de kunst als wapen in het Derde Rijk’?

Waarschijnlijk is er geen dictator die zoveel over kunst heeft gesproken als Hitler. Het was een van zijn belangrijkste onderwerpen. In zijn boek maakt Peeters weliswaar een aanzet om die kunsttheorieën te ontcijferen, hij omschrijft de contouren van zo’n onderzoek, maar verzuimt de hele symboliek te ontmaskeren.

Alles was op de tekentafel van Hitler megalomaan en theatraal. Kunst die hem niet beviel, werd op zijn bevel ‘vernichtet’. Er bestaan veel foto’s van Hitler bij de tekentafel en de maquettes van ‘zijn’ Germania. Met zijn architecten Paul Ludwig Troost en Albert Speer besprak hij geregeld de bouwplannen voor de monumenten van zijn Gesamtkunstwerk: Groot Berlijn. Die expansieve bouwdrift en de nietsontziende kaalslag zijn wellicht dé kenmerken van totalitaire kunst. Verschillende auteurs hebben dat kenmerkende ‘ruïne bouwen’ van dictators – of het nu Hitler is, Stalin, Mussolini, Ceausescu óf Nero – zowel historisch, theoretisch, sociologisch, psychologisch als filosofisch geanalyseerd (zoals in de onlangs nog heruitgegeven reader Böse Orte – Stätten nationalsozialistischer Selbstdarstellung – heute).

Die ‘verdieping’ heeft Peeters in zíjn boek allesbehalve goed benut. Het onderzoek lijkt bij hem stopgezet. Er is zoveel blijven liggen, dat je bezwaarlijk op de achterflap van zijn boek nog kunt verkondigen dat, ‘vaak uit misplaatste schaamte of gebrek aan kennis’, het onderzoek naar de kunst van deze periode ‘pas nu op gang komt’.Paul Depondt

Meer over