Kruistocht tegen de verwording

HAROLD BLOOM is, als het om de klassieken gaat, de meest belezen man ter wereld. Hij wekt de indruk als jongen een lijst te hebben aangelegd van alle belangrijke boeken, die vervolgens geordend te hebben op hun belang en ten slotte bovenaan te zijn begonnen....

Michaël Zeeman

Eerst de Bijbel - al gok ik dat hij het Nieuwe Testament links heeft laten liggen -, toen de hele Shakespeare, voorts Dante, Homerus, Ovidius, Milton en zo verder. Toen hij Thomas Mann en Marcel Proust gehad had, of, om het kwaadaardiger te zeggen, toen hij bij Toni Morrison en Michel Houellebecq was aangekomen, is hij gestopt.

Hij moet toen al van gevorderde leeftijd zijn geweest, want luiheid of bekrompenheid zijn hem vreemd. Als hij een auteur gelezen heeft, heeft hij die ook grondig gelezen en integraal. Ook kent hij alle commentaren op en interpretaties van diens werk. Op het werk van een groot aantal klassieke schrijvers heeft hij zelf weer commentaren geschreven; zijn publicatielijst is immens, op het bovenmenselijke af. De laatste tien jaar zijn zijn boeken steeds dikker geworden en volgen ze elkaar in allengs hoger tempo op.

Misschien is dit de sleutelzin uit zijn werk: 'Het bestuderen van middelmatigheid, waar die ook vandaan komt, brengt middelmatigheid voort.' Die zin staat al op de eerste bladzijde van Blooms nieuwe boek, Genius. Dat is niet zomaar een zin, het is een beginselverklaring, een levensovertuiging en een programma ineen. Al meer dan een halve eeuw - Bloom is begin zeventig en was hoogleraar aan Yale University - heeft hij er werk van gemaakt die zin te eerbiedigen: hij leest en bestudeert alleen de allergrootste schrijvers (maar wel allemaal) en hij vindt dat iedereen dat moet doen, zeker aan een universiteit, omdat je daar beter van wordt.

Met die visie heeft hij alles verloren wat er te verliezen valt. In de halve eeuw dat hij aan vooraanstaande Amerikaanse universiteiten verbonden is geweest - als student, als onderzoeker, als docent, als hoogleraar -, werden steeds minder en steeds minder klassieke auteurs steeds slordiger gelezen. De gedachte dat je beter zou worden van het grondig bestuderen van veel klassieke boeken, heeft er plaatsgemaakt voor de opvatting dat dat juist heel slecht voor je burgerzin is. Het is veel beter om een beroerd geschreven, klein boekje van een kansloze verschoppeling oppervlakkig door te lezen. Dat is een daad van verzet tegen de naarlingen die de canon hebben verzonnen, tegen de onderdrukkers die de eisen van het onderwijs hebben bedacht, tegen de tirannen die de kritische zin hebben geformuleerd.

Het lijkt erop dat Bloom de laatste jaren van zijn leven wil besteden om nog een keer een kruistocht tegen de verwording van het hoger onderwijs in de geesteswetenschappen te houden en nog een keer op te komen voor de grote traditie van de humanistische cultuur. Een paar jaar geleden schreef hij The Western Canon, waarin hij die canon vanuit zijn gezichtspunt besprak en verdedigde, vervolgens wijdde hij een omvangrijk boek aan Shakespeare, om uit te spellen waarom die de grootste schrijver is. Als om te sarren kwam toen Stories and Poems for Extremely Intelligent Children of All Ages, vervolgens een korte cursus lezen en nu dus Genius. Het tragische is dat de figuren die hij bestrijdt, niet eens in staat zijn die boeken te lezen - ze zijn namelijk ontzagwekkend erudiet, goed geschreven en scherp.

En ze missen hun doel. Aan geen van die boeken is dat zo goed te zien als aan Genius.

O ja, er is een geweldige bloemlezing uit te destilleren van eenregelige schimpscheuten en snieren aan het adres van de eigentijdse modieuze literatuuropvattingen. Er zijn ook enkele indrukwekkende essays over grote schrijvers en hun werk uit te halen, waarmee studenten van die auteurs voor de rest van hun leven hun voordeel zouden kunnen doen. Maar alles bij elkaar maken ze een donderend lawaai dat je betrekkelijk gemakkelijk voorbij kunt laten trekken omdat het immers toch vanzelf weer over gaat. Je kunt te groot zijn voor wat je bestrijdt. Bloom is dat.

Bloom gelooft dat we echt iets kunnen met het begrip 'genie'. Dat heeft een lange geschiedenis, die al in de Oudheid begint, en is in de Westerse cultuur sinds de 18de eeuw en vooral sinds het begin van de Romantiek gebruikt om het uitzonderlijke kwaliteit van iemands werk te rechtvaardigen. Sommige schrijvers, componisten, schilders of generaals zijn zo vindingrijk, dat de bron van hun oorspronkelijkheid wel gezocht moet worden in iets dat het menselijk begrip ontstijgt. De vraag naar een verklaring ervan is begrijpelijk, het antwoord in termen van genie niet meer: alleen amateurs, bewonderaars en querulanten gebruiken het vandaag de dag nog.

Dat weet Bloom natuurlijk ook wel. Hij gebruikt het om zijn alles trivialiserende tegenstanders te pesten. En hij doet er nog een schepje bovenop door het te koppelen aan de Kabbala en de Gnosis. Het genie zoekt het bovenmenselijke en is er een manifestatie van. Ik ben er niet zeker van of dat bij Bloom zuiver een metaforische manier van spreken is.

Voor zijn verering van de uitzonderlijke getalenteerdheid - Bloom zelf onderscheidt talent en genie nadrukkelijk - haalt hij honderd getuigen aan, honderd weergaloze auteurs. Die ordent hij in tien groepen van tweemaal vijf, en hij brengt telkens twee vijftallen samen onder een begrip uit de kabbalistische traditie, een begrip dat een van de manifestaties van het hogere - God, zeg maar - uitdrukt: Keter, Hokmah, Binah enzovoort, begrippen die staan voor wijsheid, oorspronkelijkheid, discipline en zo verder. Zo vormt hij het patroon van zijn mozaïek.

En dan volgt in feite de hele canon die hij enkele jaren geleden al verdedigde: Shakespeare, Cervantes, Montaigne, Milton, Tolstoj, tot en met Dickens, Dostojevski, Babel, Celan en Ellison. Die auteurs bespreekt hij op de wijze waarop hij dat in The Western Canon ook deed, in kleine, virtuoze opstellen, waarin in enkele zinnen en met overrompelend mooie citaten wordt betoogd waarom het gehele oeuvre van de besproken auteur zo geweldig is.

En daar overtuig je dus niemand mee die er al niet van overtuigd was. Daardoor verschaft het zijn tegenstanders eerder munitie dan dat het hen verwondt: zo bezien lijkt de canon inderdaad wel een gesloten systeem voor ingewijden. Dat beoogt Bloom niet, maar zijn voorsprong is te groot om zijn tegenstanders nog te kunnen raken.

Er kleven bovendien de bezwaren aan die aan alles kleven dat Engelstaligen over literatuur schrijven: het is bijziend als het over Engelstalige auteurs gaat, het is slechtziend tot blind als het over auteurs van elders gaat. Bloom over Shakespeare is briljant, Bloom over Dante aanstekelijk, Bloom over Goethe gaat nog wel, Bloom over Rimbaud of Leopardi is genant. De genialiteit van Iris Murdoch en Christina Rossetti daarentegen dient enigszins gerelativeerd te worden.

Bloom is een begenadigd leraar, hij kan enthousiasmeren en hij weet alles over zijn onderwerp. Niet voor niets houdt hij in zijn essay over Shakespeare een vurig pleidooi voor Sir John Falstaff, de beste leraar die je je wensen kunt. Voor zo'n leraar is geen plaats aan welk opleidingsinstituut dan ook. Dat is intens tragisch, niet zozeer voor die leraar, als wel voor zijn leerlingen.

Buiten staat hij in zijn haveloze jas te roepen. Hij zegt deze keer ook nog dat zijn boodschap van boven komt. Dat geloven ze nooit, en eerlijk gezegd begrijp ik dat wel. Bloom zou nog veel kunnen leren van Cleopatra en Lady MacBeth.

Meer over