Kroonprinsen in de politiek

Koks langdurige zwijgen over de voortzetting van het leiderschap van de PvdA viel samen met (geregisseerde?) verwijten aan zijn kroonprins Ad Melkert over diens vroegere ministerschap....

door Jan Joost Lindner

VAAK MOETEN kroonprinsen lang wachten. Koningin Victoria vierde nog haar diamanten jubileum (zestig jaar regeren) en stierf stokoud, voordat een bijna zestigjarige Edward VII overnam. Overigens zou een nog oudere Beatrix de Nederlandse troon hebben bestegen als Juliana niet in 1980 was afgetreden.

Politieke kroonprinsen hebben nog minder rechten. De zittende leider gaat niet zomaar weg en is vaak electoraal aantrekkelijker. Als hij zijn vertrek vroeg aankondigt, verliest hij meteen gezag. Intussen kan het tij verlopen voor de kroonprins en duiken nieuwe rivalen op. De politieke kroonprins leidt een hoogst onzeker bestaan en de situatie kan kenmerken krijgen van een koningsdrama.

Winston Churchill ergerde midden jaren vijftig bijna iedereen door als bijna-negentiger in opperste luiheid premier te willen blijven. Zijn 'eeuwige kroonprins' Anthony Eden kwam pas in 1955 aan de bak en sneuvelde anderhalf jaar later op de Suez-crisis.

In Nederland werd tot de jaren zestig meestal braaf gewacht tot de oude leider vertrok. Er waren keurige reeksen leiders: Kuijper-Colijn-Schouten bij de ARP, Troelstra-Albarda-Drees bij de SDAP, Schaepman-Nolens-Aalberse bij de RKSP.

Rond 1960 was het tijdperk van de Grote Regenten - Drees, Romme, Schouten, Tilanus sr. en Oud - voorbij. VVD-leider Pieter Oud hield nog het langst vast aan zijn oppermacht: fractie- en partijvoorzitter. Pas na veel druk en met kennelijk misnoegen trad hij in 1963 terug. Hij vroeg zijn langdurige en alom gewaardeerde kroonprins drs. H.A. Korthals (vader van de huidige minister van Justitie) op te volgen. Deze weigerde tot verbazing en ergernis van Oud en de toelichting bleef tamelijk onduidelijk.

Oud vermoedde dat Korthals beducht was voor de roerige VVD-rechtervleugel onder leiding van de geduchte Harm van Riel. Oud vroeg toen maar de betrekkelijke nieuweling Edzo Toxopeus, die hij ook goed kende omdat die hem vaak met zijn auto naar zijn Rotterdamse huis bracht. (Toxopeus woonde in Brabant). Na enig aarzelen accepteerde Toxopeus het VVD-leiderschap.

Pas later bleek dat juist dit een grote teleurstelling voor Korthals was. Hij had er - al te slim - op gerekend dat Toxopeus zou weigeren en dat de VVD alsnog bij hemzelf terug zou komen, zodat hij veel sterker zou staan tegenover Van Riel. Korthals verliet de politiek voor de Raad van State en Toxopeus werd een slim en geslaagd leider.

Ook elders bleken de Grote Regenten moeilijk op te volgen. Bij de PvdA volgde Jaap Burger 'van nature' Drees op, maar hij werd vrij snel opzijgeschoven ten gunste van de meer moderne Anne Vondeling, die na enkele jaren het veld ruimde voor Joop den Uyl.

In de KVP rommelde het zeer lang, waarbij de rivaliteit tussen Norbert Schmelzer en Jo Cals een kabinet en veel stemmen kostte. Het ontbreken van duidelijke opvolgers heeft vooral de ARP lang geplaagd. Jan Schouten, almachtig leider, trok zich terug in 1956 en zijn functie werd bij gebrek aan een duidelijke kroonprins in drieën gesplitst.

De rivaliteit tussen deze opvolgers leidde tot de 'Dakpannen-' ofwel 'Jenevercrisis' van 1960 in het kabinet-De Quay. Later hebben de nieuwe kandidaten Barend Biesheuvel en Bouke Roolvink een van de meest scheldwoordenrijke duels uit de parlementaire geschiedenis uitgevochten. Voorzitter Berghuis moest voortdurend sussen, prediken en bemiddelen.

Geen van de kemphanen gunde elkaar de eer om het kabinet-Cals (mede) op te blazen. Biesheuvel won de race om het lijsttrekkerschap in 1967, zij het met grove dreigingen van weggaan. Zijn kabinetsformatie mislukte mede doordat de beoogde premier niet met zijn doodsvijand in een kabinet wilde zitten.

Niemand heeft meer kroonprinsen versleten dan PvdA-leider Joop den Uyl. Fraai was de vertoning zelden en het heeft zijn reputatie geschaad. In de jaren zeventig was Ed van Thijn, fractieleider tijdens het kabinet-Den Uyl (1973-'77) en vertrouweling, de duidelijke kroonprins.

Den Uyl had zelfs zoveel respect voor Van Thijn dat hij in de formatie van 1977 niet door diens onderhandelingseis van acht PvdA-ministers en zeven CDA-ministers heen wilde breken. Had hij dat wel gedaan, dan was het kabinet-Den Uyl II er vermoedelijk wél gekomen.

Bij de totstandkoming van het ongelukkige kabinet-Van Agt/Den Uyl in 1981 was Van Thijn fel tegen Van Agts premierschap, terwijl Den Uyl dat (met fikse tegenzin) accepteerde. Het was het begin van verwijdering. Bovendien bleek een rivaal naar Den Haag te zijn gekomen. Ex-PvdA-voorzitter André van der Louw had het zo genoegelijke burgemeesterschap van Rotterdam opgeofferd voor een ministerschap en een claim op komend partijleiderschap.

Dat malle kabinet kwam na driekwart jaar onophoudelijk ruziën aan zijn eind en Den Uyl had ook in eigen kring veel weerzin opgeroepen door zijn eigengereidheid, lange monologen en strijd met de vakbeweging (Ziektewet). Na de kabinetscrisis kwamen alle PvdA-ministers en fractieleider Wim Meijer Den Uyl krachtig aanraden meteen terug te treden ten gunste van Van der Louw.

De leider reageerde met veel verlegen gehum en wist een 'nader onderzoek' af te pingelen, een wapenfeit waar hij later met trots over sprak. Wat bleek? Aan ieder alternatief zat wel een vlekje of bezwaar, ook aan de vaak genoemde Wim Kok (FNV) vanwege de ruzie over de Ziektewet. Bovendien wilde Kok (eigenlijk van meet af aan Den Uyls voorkeur) niet weg bij de FNV. Joop mocht doorgaan en maakte zelfs nog keurige verkiezingen.

Enkele jaren later bood hij Jos van Kemenade aan over te nemen als oppositieleider. Deze eiste dat hij dan ook de lijsttrekker van 1986 moest zijn, want hij had geen zin in een gevecht met Wim Kok of de uiterst populaire Marcel van Dam. Partijvoorzitter Max van den Berg (voorstander van Kok) weigerde deze garantie en zo ging het hele feest niet door. Den Uyl leek daar niet zeer onder te lijden.

In 1985 voorkwam hij wel dat Wim Kok burgemeester van Groningen werd en dus voorlopig verloren zou gaan voor het PvdA-leiderschap. Zelfs Marcel van Dam moest daarbij helpen, door Wim Kok te beloven niet als rivaal te zullen optreden. Van Dam vertrok kort daarop naar de VARA en Den Uyl werd voor de zevende maal PvdA-lijsttrekker, met Wim Kok als 'lijstduwer' (tweede op de lijst).

Na de formatie van Lubbers-II werd de PvdA-wacht gewisseld en Den Uyl bleef tot zijn overlijden 'gewoon' Kamerlid. Pas de vijfde van zijn ongelukkige kroonprinsen was leider geworden en de hele episode heeft duidelijk bijgedragen aan de PvdA-malaise van die jaren.

De treurigste kroonprins zou Elco Brinkman (CDA) worden, vooral omdat de leider Ruud Lubbers hevig spijt kreeg van zijn keus en die ongedaan wilde maken. Aanvankelijk waren de ministers Onno Ruding (Financiën) en Hans van den Broek (Buitenlandse Zaken) sterke rivalen.

De nog altijd invloedrijke Schmelzer kwam in 1989 met een plan. Ruding moest zich op Buitenlandse Zaken gaan bewijzen, Van den Broek op Justitie en Brinkman (toen nog minister) als fractieleider. Dan zou tijdens de rit blijken wie het best de zeker in 1994 vertrekkende Lubbers (dan al de langst regerende premier) zou kunnen opvolgen.

Maar Van den Broek weigerde de 'demotie' naar Justitie en Ruding verliet de politiek omdat er geen prominente post meer voor hem bleek. De relatie tussen Lubbers en zijn steile minister van Buitenlandse Zaken verslechterde en later in de kabinetsperiode ging Van den Broek naar Brussel. Al eind 1989 erkende Lubbers Brinkman als zijn opvolger, een wonderlijk vroege stap waarmee hij zijn eigen gezag schaadde.

Brinkman bleek een balsturige kroonprins die graag zijn partijleider/premier de wacht aanzegde, zonder ooit een echte crisis door te drukken. Pas aan het eind van de periode verloor Lubbers compleet het vertrouwen in Brinkmans leiderscapaciteiten, vooral omdat de kroonprins al te ongevoelig bleek voor de sociale verlangens bij de CDA-achterban. Lubbbers vreesde dat Brinkmans Colijnse bezuinigingsgedram het CDA veel stemmen zou kosten.

Enkele maanden voor de verkiezingen was Lubbers 'vertwijfeld' over de situatie, zoals hij later zei. Hij deed allerlei, soms veel te woeste, pogingen Brinkman alsnog van het lijsttrekkerschap of desnoods alleen van het premierschap af te houden. Er was zelfs een variant bij waarin hijzelf geprolongeerd zou worden. Het werd een openlijke strijd - tijdens de verkiezingscampagne! - die als dieptepunt van politieke professionaliteit beschouwd kan worden. Het kostte het CDA twintig zetels en voorlopig alle regeerkansen en Brinkman kon slechts kort van zijn 'partijleiderschap' genieten.

Hoe koningsdrama's te voorkomen? Vaak is de soepelste oplossing - zij het democratisch nogal bedenkelijk - dat een partijleider onverwacht tijdens of vlak na een kabinetsformatie het stokje overgeeft. Zoals Van Agt in 1982, hoewel die het stokje aan Jan de Koning en niet aan kroonprins Lubbers gunde.

Of ook VVD-leider Frits Bolkestein in 1998. Hij deed dat vooral omdat kroonprins Hans Dijkstal er niet voor voelde langdurig vice-fractieleider te zijn. Bolkestein maakte - vroeger dan hij van plan was - galant plaats, maar galant gedrag is een schaarse deugd op het Binnenhof.

Meer over