Kroeglopen aan de hand van Van der Heijden

Toen de schrijver A.F.Th. van der Heijden (Geldrop, 1951) vijf jaar was, nam zijn grootvader hem mee naar het grote en verre Amsterdam....

Onno-Sven Tromp, die eerder een wandelgidsje maakte met de boeken van J.J. Voskuil als leidraad, heeft uit reportages, boeken en interviews drie Van der Heijden-stadswandelingen gedestilleerd (het zijn grofweg Centrum, Pijp en Oud-Zuid), die voeren langs plekken die een belangrijke dan wel marginale rol spelen in het leven en werk van de centrale figuur.

Soms komen die locaties onder een gewijzigde naam voor in de boeken, dit om de lezer eraan te herinneren dat fictie altijd vervorming betekent - geen plichtmatige opmerking, zoals iedereen beseft die een blik heeft geworpen in het literaire werk van deze meester der metamorfose.

Tromp somt ze allemaal op: de Handboogstraat wordt Hellebaardsteeg, café De Pels wordt De Luis, De Engelbewaarder wordt Engelandvaarder, RumRunners wordt SalsaSellers, het weekblad Vrij Nederland wordt Nederland op zondag, en disco Dansen bij Jansen wordt Dogshit City (want Danny de Munk zong ooit: 'Amsterdam is poep op de stoep en dansen bij Jansen').

De reisleider is consciëntieus en lankmoedig. In de Jodenbreestraat houdt hij halt ter hoogte van het Theaterschoolgebouw, om erop te wijzen dat hier het Maupoleum stond (komt voor in Advocaat van de hanen, 1990): 'Het gebouw werd vaak bestempeld als het lelijkste gebouw van Amsterdam en was daarom geen lang leven beschoren.' Toe maar: het monstrum teisterde ieders goede smaak van 1971 tot 1995!

De Van der Heijden-wandelingen zijn volkomen verschillend van de Reve-, Multatuli-, Plantagebuurt-, Nescio-, Reve- en Voskuilroutes die Bas Lubberhuizen eerder uitgaf. Tezamen leveren ze het bewijs dat Amsterdam inderdaad een veelkantig labyrint is.

In Labyrintische genoegens worden we geleid naar de draaideur in café-restaurant Americain, onvergetelijke toegangspoort tot de roman De draaideur, die Van der Heijden onder het pseudoniem Patrizio Canaponi in 1979 publiceerde.

Vanzelfsprekend mogen we even neerzijgen op een terrasstoel aan het Leidseplein, zo een waarop hoofdpersoon Albert Egberts aan het eind van Onder het plaveisel het moeras (De Tandeloze Tijd 3b, 1996) zit te kijken naar de zwerver Oom Juk, die in een voortgaande beweging zijn spulletjes in- en uitpakt.

Maar bovenal worden we in het boekje vergast op een eindeloze kroegentocht, met als piekervaringen De Zwart aan het Spui ('Gods eigen knijp aan het Spui') en Welling in de Concertgebouwbuurt, alwaar een Oostenrijkse journalist de schrijver ooit aantrof: 'Da, am grössten Tisch des Lokals, mit prächtig fülligem Haupthaar und gut dazu passender Figur sitzt der Kraftlackl der niederländischen Gegenwartsliteratur bei einem so genannten ''Kopfstoss''.'

Na de roes kan de Van der Heijden-pelgrim alleen maar een dijk van een kater wachten. Men is gewaarschuwd.

Meer over