Kris-kras door nieuw woonmilieu

Deze eeuw neemt de stad definitief bezit van het platteland. Het dagelijkse leven speelt zich tegenwoordig niet meer af in één stad, maar in een 'stedelijke netwerk', meent stadssocioloog A....

'Als ze in Franse steden, Parijs of Lyon bijvoorbeeld, van een verouderd industriegebied een woonwijk maken, beginnen ze met het aanleggen van een park. Wij hebben de neiging zulke terreinen vol te bouwen. Alsof er vanzelf een aantrekkelijk woonmilieu ontstaat.' Maar zo werkt het niet, zegt stadssocioloog Arnold Reijndorp (54).

'De hectiek van een dichtbevolkte stad vergt ruimte. Voor stedelijkheid met een beetje allure heb je parken nodig, lanen, singels en grachten. Als die er niet zijn, zul je ze moeten maken. Wat dat betreft zijn de ambities in Nederland veel te laag.'

Reijndorp studeerde in de jaren zestig architectuur in Delft en kwam in het actiewezen terecht. Later werkte hij als projectcoördinator in de stadsvernieuwing en was hij verbonden aan de werkgroep stadssociologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Nu heeft hij een adviesbureau in Rotterdam en produceert hij adviezen op het snijvlak van sociologie en stedenbouw. Baanbrekend was het onderzoek dat hij midden jaren negentig samen met anderen deed naar het leven in wijken als Kattenbroek (Amersfoort), Prinsenland (Rotterdam) en Diemen-Noord (Amsterdam).

In het daaruit resulterende boek Buitenwijk maakten de auteurs korte metten met tal van vooroordelen over de saaiheid en truttigheid van het leven in suburbia. Ze meenden ook dat stedelijke culturen, gewoonten en gedrag niet het monopolie zijn van bewoners van de centrumsteden, maar ook veel voorkomen in groene buitenwijken, dorpen en plattelandsgebieden in de omgeving van de stad.

Deze 'stedelijkheid op afstand' is dankzij de auto ontstaan. Die maakt het mogelijk dat mensen hun eigen ruimtelijke omgeving samenstellen uit een veelheid van plekken. 'Individuele ruimtelijke ordening' noemt Reijndorp dat.

'Mensen kiezen hun woonplaats steeds minder omdat ze lekker dicht bij hun werk willen wonen, want volgend jaar hebben ze misschien een andere baan of verhuist de baas zijn bedrijf. Nee, ze kijken naar een plek van waaruit ze een heleboel arbeidsplaatsen, sport- en recreatievoorzieningen kunnen bereiken.'

Het idee van 'de compacte stad', richtinggevend voor de bouw van de huidige vinexwijken, berust volgens hem op een misverstand. Het dagelijkse leven speelt zich niet af in één stad, maar op de schaal van 'stedelijke netwerk'.

'Inwoners van Leidsche Rijn hebben lang niet allemaal een bijzondere band met Utrecht. Leidsche Rijn is juist een prima uitvalsbasis voor mensen die in Gouda werken, uitgaan in Amsterdam en zondags op de Veluwe wandelen.'

De opkomst van de individuele ruimtelijke ordening met zijn kris-kras verplaatsingspatronen plaatst de overheid voor problemen.

Reijndorp: 'Er bestaat een recreatiekaart waarop je kunt zien wat je op zondagmiddag allemaal kunt doen in Nederland. Dat doen we dus ook allemaal en dat levert een waanzinnige hoeveelheid mobiliteit op. Toch gaan veel beleidsmakers er nog altijd vanuit dat groei van mobiliteit vooral met het woon-werkverkeer samenhangt. Maar als ze vrij zijn gaan de meeste mensen pas echt op stap.'

Ook met andere aspecten van de moderne beleveniseconomie weet de overheid zich geen raad. 'Pretparken, Ikea's, outlet-stores, meubelboulevards, disco's en tuincentra zijn geweldig populair. Maar ze worden in de ruimtelijke plannen vaak niet meegeteld en uit arren moede op bedrijventerreinen aan de rand van de stad ondergebracht. Terwijl je de aantrekkingskracht van zulke fun-voorzieningen ook zou kunnen gebruiken om achtergebleven stadsdelen een steuntje in de rug te geven.'

Reijndorp is kritisch over de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening van het kabinet. 'De analyses zijn niet slecht. Terecht wordt bijvoorbeeld vastgesteld dat er een grote vraag naar landelijk wonen is. Maar daar worden vervolgens geen consequenties aan verbonden. Pronk had gebieden moeten aanwijzen waarin die landelijke woonmilieus een kans krijgen.'

Grote twijfels heeft hij ook bij het programma dat het kabinet voor de grote steden voor ogen staat. Dat gaat er vanuit dat er behalve de vraag naar wonen in het groen, ook een grote behoefte bestaat aan luxe woningbouw in 'centrummilieus' in de steden. Het afgelopen decennium werden die met wisselend succes ontwikkeld op onder meer de Kop van Zuid in Rotterdam en langs de IJ-oevers in Amsterdam. Maar zulke vanzelfsprekende toplocaties beginnen langzamerhand op te raken.

Volgens Reijndorp zouden de steden en het kabinet nu de kans moeten grijpen om in de naoorlogse stadswijken, die toch al toe zijn aan een ingrijpende renovatie, nieuwe centrummilieus te ontwikkelen. Maar de bestuurders richten zich vooral op stationsgebieden en op de vervoersknoop boven de Zuid-As in Amsterdam.

Reijndorp verwacht er weinig van: 'Wat is er nu zo aantrekkelijk aan wonen bij een station of boven een autoweg? Echte bijzondere woonomgevingen liggen vrijwel altijd aan een park of een interessante waterpartij. In Amsterdam zou je dan bijvoorbeeld aan de Sloterplas kunnen denken, maar ook in kleinere plaatsen als Almere, Purmerend, Zoetermeer zijn er volop mogelijkheden.'

Toen Reijndorp een paar jaar geleden gasthoogleraar was in Berlijn, stimuleerde hij zijn studenten over stedenbouw na te denken zoals de ontwerpers van de pretparken van Disneyland. Die vragen zich eerst af wat de mensen leuk en prettig vinden, wat hun dromen zijn en bedenken daarbij een verhaal dat ze vervolgens in hun parken ensceneren.

'Zo zouden bestuurders, stedenbouwkundigen en architecten vaker te werk moeten gaan. Maar die omslag wordt nog maar mondjesmaat gemaakt. Het Bouwfonds heeft bij Helmond met Brandevoort een voorbeeld gegeven. Daar is als antwoord op de grote vraag naar landelijk wonen een klassiek dorp nagebouwd. En architect Sjoerd Soeters bewijst met zijn kasteelwoningen op Haverleij bij 's Hertogenbosch dat het helemaal niet waar is dat mensen niet in appartementscomplexen willen wonen. Als ze maar in een mooie parkachtige omgeving staan.'

Meer over