reportage

Kringloopland Afghanistan: nu velen een armoedeval maken, gaat de inboedel van de hand

Na drie maanden onder de Taliban dient zich in Afghanistan een economische ramp aan. Menig Afghaan zit opeens zonder werk en inkomen en dat werkt in de hele maatschappij door. Uit bittere noodzaak verkopen zij hun inboedel aan de overal verrijzende kringloopwinkels.

Rob Vreeken
Uitgestalde tweedehandsmeubels op straat in Kabul. Aan de kwaliteit van veel spullen is af te zien dat menig aanbieder tot de middenklasse behoorde.	 Beeld Sandra Calligaro
Uitgestalde tweedehandsmeubels op straat in Kabul. Aan de kwaliteit van veel spullen is af te zien dat menig aanbieder tot de middenklasse behoorde.Beeld Sandra Calligaro

Een kringloopland, dat is Afghanistan geworden sinds de machtsovername door de Taliban, drie maanden geleden. Overal in Kabul staat huisraad opgesteld langs de weg, op het trottoir voor winkels die zijn volgestouwd met meubels, tapijten, gebruiksvoorwerpen en prullaria.

Honderden winkels in tweedehandsspullen zijn sinds half augustus als paddestoelen uit de grond geschoten in de stad, vele malen zoveel in de rest van het land. Alles moet weg, voor een zacht prijsje en liefst meer.

De 23-jarige Mushtaq is een van de starters-uit-nood. Toen zijn universiteit na de komst van de Taliban sloot, huurde de student natuurkunde een winkelruimte in de wijk Karte Se en begon spullen op te kopen. Aanvankelijk bij mensen die het land ontvluchtten en alles moesten achterlaten, nu vooral bij families die een armoedeval hebben gemaakt en uit bittere noodzaak hun bezittingen versjacheren.

Twee donkerbruine sofa’s met dito stoelen staan gekanteld tegen de muur van zijn zaak. Daarnaast een grijze koelkast. Een dressoir, tafels, een tv-toestel. Er zijn kleden, kussens, lampen, schilderijtjes, serviesgoed. Een complete rommelmarkt. Aan de kwaliteit is af te zien dat menig aanbieder tot de middenklasse behoorde.

‘Ik ben lang niet de enige die dit doet’, zegt Mushtaq. ‘Vrienden van me zijn ook zo’n winkel begonnen. We delen visitekaartjes uit om reclame te maken. De mensen komen de spullen brengen of ze bellen ons en dan komen we het ophalen.’

Drie jonge Hazara-vrouwen stappen de winkel binnen, leden van de sjiitische minderheid waartoe ook Mushtaq behoort. Ze bekijken een set borden, 100 afghani’s (ongeveer 1 euro) hebben ze ervoor over. ‘Sorry, 300’, zegt de winkelier. Voor afdingen liggen vraag en aanbod te ver uiteen, de vrouwen lopen door.

Geldkraan dichtgedraaid

De nieuwe kringloopbranche is het zichtbaarste symptoom van veruit het grootste probleem voor de Afghaanse bevolking sinds de komst van de Taliban: de instortende economie. Voor driekwart werden de overheidsuitgaven gefinancierd door buitenlandse donoren, de VS en Europa voorop. De hulp was goed voor 40 procent van het bbp.

Die geldkraan is bijna helemaal dichtgedraaid. Ook de Wereldbank, die het grootste deel van de gezondheidszorg en de infrastructurele projecten en een fors deel van het onderwijs betaalde, heeft alles op de pauzetoets gezet. Bovendien zijn het Afghaanse leger en de politie door de Taliban feitelijk ontbonden. Buitenlandse tegoeden van de Afghaanse regering zijn bevroren.

Dit alles had tot gevolg dat van het ene moment op het andere honderdduizenden mensen in overheidsdienst werkloos zijn geworden en zonder inkomen zitten. Diverse inwoners van de hoofdstad met wie de Volkskrant spreekt, behoren tot families waarvan alle kostwinners hun broodwinning hebben verloren. Van redelijk welgesteld zijn zij tot pauperdom vervallen. En van de weeromstuit trekken zij – met hun verdampte koopkracht – de hele Afghaanse samenleving mee in de misère.

Een economische en menselijke ramp dient zich daardoor aan. Afghanistan staat op de drempel van mogelijk de ernstigste humanitaire crisis ter wereld, volgens de VN. Hongersnood dreigt, nog eens aangewakkerd door droogte. Zo’n 23 miljoen Afghanen zullen de komende maanden ernstig gebrek aan voedsel hebben.

De BBC bracht al beelden van een ziekenhuis in Herat, in het zuidwesten, met uitgemergelde baby’s aan de sondevoeding. Er gaan verhalen over ouders op het platteland die hun dochters – kleine meisjes – te koop aanbieden. Maar ook minder hartverscheurende taferelen maken al duidelijk hoe het land er voor staat. Wie wil weten hoe een instortende economie eruit ziet, moet nu naar Afghanistan komen.

Bedelen

In het aangename zonnetje een wandeling maken door het centrum, langs het Shahr-e Nawpark, is voor een westerling eigenlijk niet meer mogelijk. Niet alleen kinderen komen geld vragen, ook tieners, jonge moeders met kroost, bejaarde mannen, oudere vrouwen in boerka. Een paar jaar terug werd hier ook wel wat gebedeld, maar lang niet in deze mate. En wie één keer wat geeft, krijgt meteen een hele sliert haveloze kinderen achter zich aan.

Toch ziet de omgeving er minder armoedig uit. In Kabul zijn, dankzij twintig jaar buitenlandse steun, eilandjes van welstand en luxe ontstaan, als fonkelstenen in grijs zand. Banken, pompeuze trouwzalen, winkelcentra met namen als Kabul City Centre. Vitrines liggen vol geïmporteerde koopwaar. En ook op de volksmarkten zijn de groenten en het fruit nog hoog opgestapeld.

Het dreigt allemaal een kwetsbare façade te worden, want de klandizie slinkt met de dag, de burgers hebben door het wegvallen van inkomens geen geld meer. Een omgekeerd trickle-downeffect: het opdrogen van buitenlandse fondsen aan de bovenkant veroorzaakt lager in de samenleving steeds meer schaarste. De massa van nieuwe werklozen consumeert nauwelijks meer, waardoor sectoren als de middenstand hun omzet zien verpieteren, waardoor ook zij minder te besteden hebben, en zo komen alle raderen tot stilstand.

De grote bazaar in Kabul. In winkelcentra liggen de vitrines nog vol geïmporteerde koopwaar, maar de klandizie slinkt met de dag. Beeld Sandra Calligaro
De grote bazaar in Kabul. In winkelcentra liggen de vitrines nog vol geïmporteerde koopwaar, maar de klandizie slinkt met de dag.Beeld Sandra Calligaro

Groot is het verschil tussen buitenkant en werkelijkheid bij de Gentle Man Barbershop nabij kruispunt Haji Yaqub. In de etalage hangen foto’s van modellen met hipsterbaarden, tattoos en krulsnorren, alsof we bij de Rotterdamse barbier Schorem zijn. Maar binnen staat de 18-jarige kapper Mustafa Mohammedi met afhangende schouders op klanten te wachten. Slechts twee heeft hij er vandaag gehad en het is al einde middag. ‘De moderne mensen kwamen hier, want die wonen in deze wijk’, zegt Mohammedi. ‘Maar ik zie ze niet meer. Ze hebben geen geld, of ze zijn gevlucht.’

Hetzelfde beeld bij collega Mohammed Zaher, de 68-jarige eigenaar van Borbar Style aan Qasavistraat, iets verderop. ‘Er komt bijna niemand’, zegt hij. ‘Ik kreeg veel ambtenaren en werknemers van ngo’s. Maar nu? Misschien drie per dag. Daar red ik het niet van. Ik heb al twee maanden geen huur kunnen betalen.’

Zijn huishouden bestaat naast zijn echtgenote uit twee ongetrouwde dochters, twee zoons met hun vrouwen en zeven kleinkinderen. De zoons (politieman en chauffeur) zitten sinds augustus zonder werk, alles komt nu op de breekbare schouders van de pensioengerechtigde Zaher. Wat als zijn huurbaas hem eruit zet? ‘De toekomst is aan God’, zegt hij gelaten. ‘Als ik weet dat ik morgen sterf, graaf ik vandaag mijn graf.’

Eén klein lichtpuntje: de Taliban hebben nog niet afgekondigd dat mannen hun baard moeten laten staan. Dat was in de jaren negentig wel anders. ‘Toen kreeg ik straf als ik mannen schoor’, zegt hij. ‘Alleen aan de Taliban zelf met hun lange haar heb ik niet veel.’

Klaagzang

Bij alle andere middenstanders die we spreken horen we dezelfde klaagzang: geen klandizie, geen omzet, geen geld om de winkelhuur te betalen. ‘Vóór de Taliban kwamen was het leven goed’, zegt kruidenier Mir Hafizullah (38). En bijna poëtisch: ‘Voorheen stonden de mensen in de rij. Nu is het als middernacht.’ Vriendelijk maar beslist stuurt hij twee vrouwen weg die binnenkomen, de rechterhand in bedelstand.

Amir Mohammed, eigenaar van restaurant Khalifa Ewaz in de Hazarawijk Dehbori, zag de bezorging aan huis kelderen. Hij moest het hebben van universiteiten, ambassades en overheidskantoren in de buurt. ‘Was er een seminar of training, dan verzorgde ik de lunch’, zegt hij. ‘Nu ben ik blij als we één bestelling per dag hebben. De helft van mijn personeel heb ik moeten ontslaan, van zestien naar acht.’

Mushtaq in de tweedehandswinkel in Kabul die de student natuurkunde is begonnen toen zijn universiteit sloot.   Beeld Sandra Calligaro
Mushtaq in de tweedehandswinkel in Kabul die de student natuurkunde is begonnen toen zijn universiteit sloot.Beeld Sandra Calligaro

Ook bij de Nederlandse hulporganisatie Cordaid, dat een kantoor heeft in Kabul, werd de economische malaise direct voelbaar. Het humanitaire werk gaat door (met meer noodzaak dan ooit), maar het programma voor ontwikkeling van de privésector is sterk ingekrompen. Steun aan het midden- en kleinbedrijf, training, starters en werkzoekenden een zetje geven: het ligt vrijwel allemaal stil.

‘Er wordt niet meer geïnvesteerd’, zegt Marten Treffers, directeur voor Afghanistan. ‘Voor zover er geld is, wordt dat besteed aan huur en salarissen. Aan iets nieuws begint men niet. Klanten zijn weggevallen.’ Plannen maken voor volgend jaar is er al helemaal niet bij. Niemand weet hoe de Afghaanse economie er dan voor staat. Het is trappelen om boven water te blijven.

Bovendien, zeggen ondernemers tegen Cordaid: ‘We kunnen niets doen zolang de regering geen duidelijkheid geeft.’ Wat wordt het beleid van de Talibanregering, welke regels gaan gelden? Niemand die het weet, waarschijnlijk ook de Taliban zelf niet. En op de ministeries is veel mis. Treffers: ‘Sommige voor ondernemers belangrijke afdelingen, zoals die voor bedrijfslicenties, functioneren niet meer. Ambtenaren zijn vertrokken, er is geen budget en het mandaat van de loketten is niet helder.’

Onderwijs

Het begint misschien eentonig te worden, maar ook in de privéziekenhuizen en in het particulier onderwijs – een vorm van bedrijfsleven immers – heeft de economische crisis aan de deur geklopt. Tweederde van de scholen in Kabul is privé. Als het even kan sturen ouders hun kind niet naar de slechte staatsscholen, ook al zijn die gratis.

Van de 550 leerlingen van de Frogh-e-Danish-school in de wijk Kotal Khairkhana zijn er sinds drie maanden maar 240 over. De rest zit thuis. In de meeste gevallen komt dat doordat de ouders het schoolgeld niet langer konden betalen. Een andere oorzaak is dat de meisjes in de groepen 7 tot en met 12, dus van ongeveer 12 jaar en ouder, van de Taliban voorlopig niet naar school mogen.

Dus ziet directeur Abdul Jabbar zijn kas razendsnel slinken. ‘De helft van de ouders die hun kinderen nog wél naar school sturen heeft al drie maanden geen schoolgeld betaald’, zegt hij. ‘Een vader zou komen om het schoolgeld te brengen. Maar hij had niets bij zich. Hij zei dat hij zijn tv naar de tweedehandswinkel had gebracht. Zodra het toestel werd verkocht zou hij er geld voor krijgen, en dan kon hij de school betalen.’

In de buurt van het Ghazistadion in Kabul is een nieuwe markt voor tweedehandsspullen ontstaan.  Beeld Sandra Calligaro
In de buurt van het Ghazistadion in Kabul is een nieuwe markt voor tweedehandsspullen ontstaan.Beeld Sandra Calligaro

Jabbar vertelt het met een droeve glimlach. Boos werd hij er niet om, het is om aan te geven in welke ellende de families verkeren. Het jongetje zit nog gewoon op school, kinderen wegsturen doet de directeur niet graag.

Naar Nederlandse maatstaven ziet de school er gebrekkig uit. Tafeltjes en een schoolbord in een kaal lokaal, veel meer is het niet. Maar in groep 6, hoogste klas onderbouw, dreunen de jongens en meisjes enthousiast het alfabet in het Engels op voor de gast uit Nederland. Juf Arizo ziet het trots lachend aan.

Huurschuld

Maar ook voor deze kinderen, armlastige ouders of niet, is de onderwijskundige toekomst onzeker. ‘We zullen moeten sluiten als we het geld op is’, zegt directeur Jabbar. ‘Ik kan al geen schrijfpapier voor de eindexamens volgende week betalen. We hebben 100 duizend afghani’s huurschuld. De eigenaar van het gebouw zegt dat hij de school afsluit als we eind deze maand niet hebben betaald.’

En zo dreigt twintig jaar opbouw van onderwijs in elkaar te zakken als een torenflat bij een aardbeving. Het Afghaanse onderwijs gaat terug naar af. Net als de vrouwen, die tegen de stroom van een conservatieve samenleving in maatschappelijke vooruitgang hadden geboekt.

Ook in het onderwijs is hun positie onzeker. De vrouwelijke leerkrachten van de bovenbouw van de Frogh-e-Danish zitten thuis, op last van de Taliban en zonder salaris. Of de meisjes van de bovenbouw weer naar school mogen, is onduidelijk. ‘Als de omstandigheden er rijp voor zijn’, zegt de Talibanregering, en op sommige plekken lijkt het verbod al te zijn opgeheven, maar niets is op dit moment zeker.

Alleen maar slecht nieuws, dus? Nee, volgens alle inwoners van Kabul die we spreken is de veiligheid sterk verbeterd, nu de burgeroorlog is afgelopen. En om de vorige, gekozen regering lijkt niemand een traan te laten. Valt in gesprekken de naam van de verjaagde president Ashraf Ghani, dan laat het woord ‘corruptie’ niet lang op zich wachten. ‘Er is nu geen geld meer voor corruptie’, zegt winkelier Mir Hafizullah, kennelijk een rasoptimist.

‘De veiligheid is perfect, daar is iedereen gelukkig mee’, zegt kapper Mohammed Zaher, als we hem zaterdagmiddag spreken. Een paar uur later ontploft in de Hazarawijk een kleefbom, aangebracht onder een minibus. De bekende tv-journalist Hamid Saighani komt om het leven, twee mensen raken gewond. Niets is zeker in Afghanistan.

Meer over