Krediet Sorgdrager opgebruikt na het halen van haar gelijk

Rechtshandhaving vormde de kern van het conflict tussen Sorgdrager en het gereorganiseerde OM. Na het ontslag van Docters van Leeuwen haalde zij in de Kamer haar politieke gelijk, maar bracht zij zware schade toe aan de rechtsstaat, concludeert Tom Schalken....

Het doek is gevallen. De justitiële show waarop Nederland de afgelopen maanden werd getracteerd, is op een drama uitgelopen. De affaire-Steenhuis, die begon met de omstreden arrestatie van een politieman, eindigde in het ontslag van 'super-pg' Docters van Leeuwen. Wie hier nog iets van begrijpt, mag het zeggen. Dat procureur-generaal Steenhuis met zijn bijbaantje het nodige te verwijten valt - hij miste de antenne om de gevoeligheid van het probleem onder ogen te zien -, wordt door vrijwel niemand meer betwist. Maar waarom moest dit stomme incident uitgroeien tot een crisis die in de politiek constitutionele afmetingen begon aan te nemen?

Heeft het nog iets met staatsrecht te maken dat de discussie tussen Sorgdrager en Docters van Leeuwen op de avond van de 'muiterij' tot non-communicatie leidde? Zegt het iets over ons staatsbestel dat Sorgdrager de opstelling van Docters als disloyaal heeft opgevat? Moeten wij nu een juridisch of een psychologisch handboek raadplegen om iets van de crisis te kunnen begrijpen?

Dat politieke affaires vaak psychologische achtergronden hebben, is op zichzelf geen opzienbarende vaststelling. Het probleem is hoe het systeem zo kan worden ingericht dat het van die persoonlijke achtergronden niet al teveel last heeft. Dat geldt voor elke overheidsorganisatie maar zeker voor het Openbaar Ministerie.

Na alle kritiek van de laatste jaren was het OM hard bezig om zich onder de bevlogen leiding en het breed geaccepteerde gezag van Docters van Leeuwen aan de IRT-trauma's (onvoldoende controle bij het OM) te ontworstelen. Een democraat als Docters deed niets anders dan te benadrukken dat er in de rechtshandhaving geen ongecontroleerd domein mocht bestaan.

Dat neemt niet weg dat het reorganisatieproces van het OM, verzelfstandiging van de eigen organisatie en profilering van de eigen verantwoordelijkheid jegens de minister tot doel heeft.

Ministeriële verantwoordelijkheid impliceert, hoewel gemakzuchtige juristen nog steeds iets anders durven te beweren, geen onbeperkte ministeriële bevoegdheid tot ingrijpen. In een rechtsstaat is juist ook de politiek aan normen van wet en recht gebonden. De Leidse rechtsfilosoof Herman van Gunsteren spreekt in dit verband van een 'getemperde' democratie. Het primaat van de politiek dient dus te worden gematigd door de bijzondere positie van het OM.

Was het tegen deze achtergrond zo onzinnig dat Docters op die bewuste avond zijn minister voorhield dat het onbesuisd scalperen van een procureur-generaal het aanzien van het nieuwe leidinggevende college van het OM kon schaden? En dat dit ook risico's had voor de manier waarop de zittende magistratuur naar de politiek keek?

Natuurlijk moet een minister van Justitie, zoals Marcel van Dam op deze pagina betoogde, kunnen ingrijpen wanneer een procureur-generaal iets heeft gedaan dat zich niet met de waardigheid van het ambt verdraagt. Maar houdt dit dan in dat een minister zo'n procureur-generaal als elke willekeurige ambtenaar kan behandelen?

Was het niet eerder zo dat Sorgdrager, daarin te gemakkelijk gesteund door een geïrriteerde minister-president, probeerde te ontkoppelen wat Docters juist alert met elkaar verbond: dat het rechtspositionele conflict nu eenmaal ook staatsrechtelijke aspecten had en dat beide niveaus in de discussie niet los van elkaar konden worden gezien? Getuigde het van gebrek aan loyaliteit jegens 'zijn' minister - welke loyaliteit trouwens? - toen de voorzitter van het college haar daarop wees? Een minister die Docters van Leeuwen tot collegevoorzitter benoemt moet niet verwonderd opkijken dat hij zich ook als zodanig gaat gedragen.

Niet valt uit te sluiten dat de houding van Docters van Leeuwen op die gedenkwaardige avond door de minister als te opdringerig kon worden opgevat, omdat hij, mede onder de dreiging van een kort geding, toezending van het rapport-Dolman over de bijbaan van Steenhuis aan de Tweede Kamer probeerde op te houden. Een ambtenaar die tussen de minister en de Tweede Kamer gaat staan pleegt een doodzonde.

Maar kan niet ook worden gezegd dat het de minister was die zichzelf met de rug tegen de muur had gezet? Waarom moest zij, door een absurd korte termijn voor hoor en wederhoor in te ruimen, de zaak zo buitensporig onder druk zetten? Als de minister per se meende dat het rapport-Dolman onverwijld naar de Kamer moest worden gezonden, waarom deed zij dat dan niet? Niets verzette zich er tegen dat haar (zorgvuldig voorbereide) reactie op het rapport een paar dagen later zou worden nagestuurd.

De hele zaak heeft zo uit de hand kunnen lopen omdat de ene misser op de andere werd gestapeld. Direct bij het begin al, toen de minister voor het eerst over de bijbaan van Steenhuis hoorde, had zij de zaak tot de juiste proporties moeten terugbrengen door het college van procureurs-generaal te vragen haar op korte termijn te berichten of er van belangenverstrengeling sprake was.

Het college had haar dan tevens kunnen adviseren over de vraag welke (disciplinaire) gevolgen, ook wanneer alleen de schijn van belangenverstrengeling was gewekt, aan de uitkomst van dat onderzoek zouden moeten worden verbonden. Doordat de minister echter tot tweemaal toe externe adviseurs inschakelde werd het conflict, mede onder invloed van de opzwepende media, procedureel onbeheersbaar. Wanneer het college meteen om onderzoek en advies was gevraagd, was het probleem daar neergelegd waar het thuishoorde.

In plaats van deze voor de hand liggende oplossing (met bovendien een groot zelfreinigend vermogen) werd ineens het primaat van de politiek in de strijd geworpen. Een minister die het beeld oproept van tegen haar gezag rebellerende topambtenaren, kan altijd op politieke sympathie rekenen, ongeclauseerd.

In het eerste debat gaf de Tweede Kamer een sterk verzwakte en daardoor politiek onbetrouwbare minister een vrijbrief het conflict zelf op te lossen om zich daarna in het tweede debat te verbazen over de rigoureuze manier waarop zij dat had gedaan (door Docters te ontslaan). Het was beschamend om te zien hoe de Tweede Kamer deze minister, die natuurlijk hoogstverantwoordelijk is voor het laten escaleren van het conflict, de kans bood aan die verantwoordelijkheid te ontsnappen. In de politiek zijn er geen hogere belangen dan coalitiebelangen.

Bovendien bleek Sorgdrager, zoals zij zelf in het Kamerdebat zei, grote waardering voor Docters te hebben. Wat kan er dan binnen enkele uren zijn gebeurd? Welke rol hebben haar departementale adviseurs gespeeld? Welke gevoelens roepen kritische ambtenaren bij PvdA-premier Kok op? Zelden zal er zo'n tragisch verschil zijn geweest tussen gelijk hebben (Docters) en gelijk krijgen (Sorgdrager).

Maar wat stelt dat gelijk van Sorgdrager voor? Aan het begin van haar ministerschap kondigde zij in de stijl van paars aan een open discussie aan te gaan en 'transparant' met het OM te communiceren. Daarentegen werd alle energie gestoken in het toedekken van gevoelige onderwerpen in het verkeer tussen minister en OM. Kan het on-paarser?

Justitie veranderde al vrij snel in een krampachtige en paranoïde organisatie die haar gelijke niet kent. In een koppensnellerscultuur durft niemand zijn mond open te doen. Wie wel wat zegt, lekt en is dus niet loyaal. Vervolgens wordt op een verbeten manier getracht de lekken op te sporen. Iedereen terug in het gelid. Maar een open discussie?

Een minister die het OM 'terug in zijn hok duwt' en daarmee ten diepste te kennen geeft dat zij het OM nog steeds niet als een volwaardige organisatie met een eigen leiding beschouwt, mag dan in naam een overwinning hebben behaald door het primaat van de politiek te dienen.

In werkelijkheid heeft zij het primaat van de rechtsstaat ernstige schade toegebracht. Het reorganisatieproces van het OM is zonder meer verstoord, de ambtelijke verhoudingen tussen OM en departement zijn voor jaren verziekt en het maatschappelijke aanzien van Justitie heeft wederom een behoorlijke deuk opgelopen. Kan een minister van Justitie een ernstiger verwijt worden gemaakt? Bolkestein mocht de gereedliggende bal weer in het doel trappen: aan een super-pg hebben wij geen behoefte.

Er is geen minister van Justitie geweest die bij zijn aantreden zoveel krediet meekreeg als Winnie Sorgdrager. Geen minister die tijdens zijn ambtsperiode zo stevig werd gesteund, ook vanuit de juridische wereld, als deze minister. Maar een tweede ambtstermijn? Er is talent voor nodig om de waarheid onder ogen te zien. Wie ontslaat er nu een erudiete ambtenaar die ook nog van gedichten houdt?

Tom Schalken is hoogleraar strafrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Meer over