'Krant lezen is een erotisch genoegen' erotisch genoegen'

De Vlaming Hugo Camps voelt zich thuis in het Nederlandse journalistieke klimaat. Als 'chef verdriet' schrijft hij bewonderende interviews in Elsevier....

IN DE woestijn staat geen kiosk. Daarom gaat Hugo Camps niet op vakantie in Egypte. Italië ligt hem beter, want zelfs met een rudimentair begrip van de taal kan hij zich door de Corriera della Serra worstelen. En thuis in Antwerpen mag het dagblad best om vier uur 's ochtends op de mat ploffen. Niet dat Camps - notoir avondmens - dan wakker is, maar als er werkelijk iets gebeurt in de wereld, komt Camps voor zijn krant uit bed.

Geen groter plezier kent hij. 'Ik vind het een erotisch genoegen. Koffie kopje, krantje in de hand. Daar kan geen orgasme tegenop.'

De Vlaming Camps (54) was ooit hoofdredacteur van het Dagblad van Limburg. Totdat hij werd weggetreiterd door de intens katholieke courantier die meende dat de jonge Camps al te bevlogen tegen het establishment schopte. Sinds tien jaar is Camps redacteur van Elsevier, waarvoor hij interviews maakt, en sportcolumnist van NRC Handelsblad.

Een weg terug is er niet, zegt Camps: 'Ik kan niet meer weg. Niemand kan méér respect hebben voor het Nederlandse journalistieke klimaat dan ik, omdat ik ook een ander klimaat heb gekend. Toen ik hoofdredacteur was, schreef ik met ogen in mijn rug. Ik wist waar ik te ver kon gaan, maar ook dat ik met Goede Vrijdag een hoofdartikel moest schrijven over de kruisdood van Christus.'

Of Camps nu in Elsevier cabaretière Adèle ('stout maar gedistingeerd'), Ajax-coach Olsen ('poète maudit op noppen') of bestuurder Van der Louw ('dansende beer') portretteert, telkens buigt zijn taal naar het barokke, en gaat het over zaken als verlies, passie en liefde. Zelden over succes. Dat doet 'm niets. Liever Dries van Agt dus als onbegrepen Europees gezant in Tokyo ('Knettergek, maar lief'), dan Wim Kok. Niet Louis van Gaal boeit 'm, maar Valeri Lobanovsky: 'Als ik die trainer van Kiev zie, die nog tot het ancien regime behoort, niet heeft vernomen dat de Muur is gevallen, een bhoedda op de bank, lijdend aan zichzelf, onverzorgd, dan ben ik he-le-maal weg.'

Zijn aard, zegt Camps, is compassie. Sentimentaliteit werd hem ingegoten. Bescheiden ouders in Molenstede. Een vader die wilde dat hij bij de overheid ging. Camps werd journalist. Jazzprogramma op de radio. 'Miles Davis, Dexter Gordon. Die zeggen wat ik niet kan zeggen. Alles wat ik zeg, is ersatz van Chet Baker. Maar mijn vader vond mij een nietsnut. Prachtige man. Zoals hij over mijn moeder spreekt, haar na haar dood nog steeds consacreert als zijn enige vrouw, dat vind ik weergaloos.

'Aan zijn hand naar het voetbal. Daar ben ik zowel erotisch als sociaal door geëmancipeerd. Beringen. Liepen we door de Cité, waar de Italiaanse mijnwerkers wonen. Zag je prachtige, hoerige zwarte vrouwen. Jezus, wat zijn vrouwen mooi. Nadien zag je dat ze in de gestuikte huisjes wonen. Verderop waren de villa's van de mijningenieurs.

'Met kerstavond moesten we naar de nachtmis gaan. Mijn vader zong het kerstlied. Daarna aten we thuis bloedworst met appelmoes, en werden de pakjes gegeven. Iedereen huilde. Dat was kerstavond: bloedworst, appelmoes, huilen, mijn vader die gezongen had. De verinnerlijkte liefde. We zijn samen en we zijn alleen van elkaar. En de wereld buiten: niks mee te maken. Bijna niks emotioneert zo als kitsch. Dat vind ik verwerpelijk, maar ik heb er geen wapen tegen.'

Bij Elsevier, voor Camps een warm bad van journalistieke onafhankelijkheid, is hij 'chef verdriet': 'Ik swing tussen de krijtlijnen door. De echte opiniemakers gaan naar de specialisten. Ik werk met de mooie, rare mens. Dedain voor politiek heb ik niet, maar het scheelt niet veel. Zo'n man als De Hoop Scheffer die zich joggend laat interviewen op zijn Nikes. De diplomaat met de houten mond wil laten zien dat-ie ook van het leven is. Dat populisme wijs ik af.'

Die verbijstering en woede vinden een uitweg in zijn NRC-

columns. In de Elsevier-gesprekken wil Camps meer 'dienstbaar' zijn. 'Waarom zou ik iemand afbranden? De zeis laten zwaaien? Als ik morgen voor het parochieblad werk, kom ik niet bij Kok binnen. Ik kom binnen bij de gratie van het medium. Dat verplicht al tot deemoed.'

Hij neemt ze mee uit eten, en cultiveert de intimiteit waarin een platgeïnterviewd politicus of mediaschuwe topsporter iets meer wil laten zien dan 'het bruto nationaal product van een leven, zijn status of baan, of het aantal vliegtuigen dat zo'n man moet beredderen'.

SOMS BEKLIJFT zo'n gesprek. 'Dan blijft de compassie duren. Ik ben met Ria Lubbers een pilsje gaan drinken. Wat Ruud daarvan vindt? Het drama is dat hij al jaren eigenlijk niets van Ria vindt. Intriest. Als een harnas zou ik over Ria willen liggen. Ze heeft alles in haar leven weggelachen, maar daarachter schuilt een grafkelder.'

'Lubbers is een boeiende man. Tragisch ook: tot twee keer toe afgewezen, als voorzitter van de Europese Commissie en bij de NAVO. Dat veegt een heel leven weg. Zeker de eerste keer, toen-ie tegenover Dehaene stond. De beste eerste minister die België ooit heeft gehad, maar je kan er niet mee buiten komen. Die stierennek en dat rare taaltje. Nonconformisme dat op den duur iets krijgt van armoe. Dat Lubbers het daarvan verliest, is pijnlijk. Lubbers is een Griekse tragedie. Zo'n achterlijk leerstoeltje in Tilburg. Die man wil nog steeds niet thuis zijn.'

Waar Camps in Elsevier onverholen bewonderend kan schrijven, mag hij in NRC vilein zijn. Dan noemt hij Winnie Sorgdrager in een stukje over voetbalrellen 'popart', en stelt vast dat voetbal voor de minister een 'presocratisch schimmenspel' is waarvan zij geen jota snapt. 'Zij kan er niets over zeggen, en als ze het toch doet hoor je pratende nagellak.'

Camps: 'Raar is dat mensen geen onderscheid maken tussen interview en column. Ik zou Erica Terpstra (die hij 'De moeder van de demagogie' noemde, HB) charmant en coulant kunnen interviewen. Zij sluit de deuren omdat ze niet begrijpt dat een column ook een vorm van liefde is. Wat ik erg aan haar vind? Dat ze, nog voordat ze ontwaakt is, al geschaterd heeft. Die eeuwige schater, dat schoudergeklop, gegroet van kerels, kameraden. Dat tegen mekaar aanschurken namens het Nederlanderschap. Maar zij zou niet te klagen hebben over wat Elsevier afdrukt.

'Ik heb Terpstra wel gevraagd. Briefjes terug, via de woordvoerder. Dat is ook zo'n plaag. Napalm op de woordvoerders. Heel Nederland verwacht dat een jongen als Ronald de Boer vijf dagen in de week beschikbaar is om het volk een kans te geven zich te identificeren met het succes. Ministers en bankdirecteuren en zelfs de meest folkloristische in het circus, de commissarissen van de koningin, hebben een woordvoeder. Ronald de Boer niet.

'Maar inderdaad is een interview met een voetballer als vragen om audiëntie bij de paus. Dan wielrennen. Alpe d'Huez. Teunissen kotsend over zijn stuur. Kan je hem vragen: Gert Jan, gaat 't nog een beetje? Ik wil weten waarom de enige god, Miguel Indurain, zich na een zware etappe verplicht voelt tachtigduizend verslaggevers te woord te staan, terwijl de heren Litmanen en Nilis eerst een douche pakken omdat ze zich anderhalf uur hebben vermaakt.'

0 USSEN COLUMN en interview botert het niet steeds. Zo sprak Camps fotomodel en Krajicek-vriendin Daphne Deckers voor een Elsevier-kerstnummer. Mierzoet verhaal. 'Ze is nu 28, nog steeds rank en slank, gepolijst van kop tot teen, ogen met uitzicht op zee.' Maanden later werd Deckers columnsgewijs weggezet als een B-actrice met een chagrijnige kop. Deckers voelt zich verraden. Camps niet minder. Want tijdens het interview had Deckers off the record vanalles verteld dat Camps kies schrapte.

'Daarna', zegt hij, 'zie ik die mevrouw lullen over de roep van de buik. Toen ik hoorde dat ze een etalagepop van het moederschap was geworden, dacht ik: jij praat zoals de wind waait. Als ze het niet eens was met het interview, had ze daarop moeten reageren. Maar ze was boos op de column. En dat is een andere man.'

- Dat is onzin.

'Ik heb niets in mijn column gebruikt uit het interview. En wie zou mij censureren? Daphne Deckers? Omdat ik één keer heb geschreven dat zij mooie jukbeenderen heeft? Dat zou ik nu nog schrijven.

'Ach, altijd het verwijt dat ik zo barok ben. Dat Jaap Stam bij mij ongeloofwaardig wordt omdat sportjournalisten nooit meer dan drie zinnen uit hem krijgen. Ik heb pas Gilles de Bilde gedaan. Als je die zinnetjes letterlijk achter elkaar zet, maak je een halve debiel van hem. En niet omdat-ie Belg is. Maar ik selecteer, stel andere vragen. Dan krijg je ook een ander mens.

'Ik ga uit eten omdat het in een krachthonk moeilijk spreekt over herfstbladeren of de brekelijkheid van het leven. Je past je aan. Als je naar het bordeel gaat, neem je Aristoteles ook niet onder je arm mee.'

Henk Blanken

Meer over