Krakers staan achter in de rij in Sri Lanka

De ‘bufferzone’ langs de kust heeft de slachtoffers in Sri Lanka opgedeeld: zij die zelf mogen bouwen, en zij die van donoren afhankelijk zijn....

Asela’s probleem: hij heeft een huis. De tsunami spoelde zijn woning kapot, maar er is genoeg van blijven staan om voorlopig als onderdak te dienen voor hem, zijn hoogzwangere vrouw, zijn zoontje en zijn schoonmoeder. Er is elektra, er is water.

De regering van Sri Lanka heeft aan tienduizenden mensen als Asela geld toegezegd – 250 duizend rupees voor een nieuw huis, in vier termijnen. De eerste termijn kwam in oktober. De volgende komt als de bouw voldoende vordert.

Vandaar Asela’s probleem. Hij zou dus eerst zijn oude huis moeten afbreken en met zijn gezinnetje in de open lucht bivakkeren – tot sint juttemis, want dat nieuwe huis is ongewis. ‘Die 250 duizend roepies is lang niet genoeg’, zegt de 30-jarige boekhouder. ‘Daar kan ik geen huis voor bouwen.’

Het bedrag werd kort na de tsunami vastgesteld. Sindsdien zijn de prijzen in de bouw verdubbeld. Een kwestie van vraag en aanbod: de wederopbouw heeft de lokale aannemerij ‘slapend rijk’ gemaakt, zeggen hulpverleners.

Aan de overkant van de weg in Asela’s dorp, Paiyagala, zit een andere categorie slachtoffers. Vissers die vlak aan zee woonden en alles kwijtraakten. Zij woonden in de ‘bufferzone’, een door de regering afgepaalde strook langs de kust (100 meter breed in het zuiden, 200 meter in het oosten) waar niet meer gebouwd mag worden, met het oog op volgende tsunami’s.

Deze mensen krijgen van de regering elders in het land grond, waarop hulporganisaties huizen kunnen bouwen. Zolang wonen ze in ‘tijdelijke behuizing’, houten huisjes met twee kamers. Behelpen, maar beter dan de tenten en opvangkampen van kort na de ramp.

Intussen weten de vissers niet wat hun boven het hoofd hangt, wat de overheid met ze van plan is, net zo min als de mensen die, als Asela, buiten de bufferzone op hun eigen grond mogen herbouwen.

En dat is jammer en onnodig, zo stellen woordvoerders van de grote hulporganisaties: gebrek aan voorlichting door de overheid is het halve probleem. Terwijl er zoveel zit aan te komen. Volgens hen wordt 2006 in Sri Lanka het ‘bouwjaar’. Na de noodhulp en het optuigen van een wederopbouwsysteem is de fase van ‘stenen en cement’ aangebroken. Het Rode Kruis – in Sri Lanka de grootste bouwer – gaat komend jaar duizenden huizen maken.

Maar feit blijft: het Rode Kruis heeft er pas tweehonderd klaar. Veel donorgeld staat nog op bankrekeningen.

Is dat verkeerd? En betekent het dat de hulpgevers tot nu gefaald hebben?

Dat is niet de indruk die resteert na een bezoek aan het Srilankaanse rampgebied. Veel van wat is misgegaan, ging mis in de eerste maanden, toen rijp en groen invloog en in het wilde weg aan het oplappen en uitdelen sloeg en weer verdween. Daardoor hebben sommige vissers acht boten, waar ze er vroeger één hadden (Sri Lanka telt nu meer vissersboten dan voor de tsunami), hebben vrouwen opeens zes naaimachines, werden in het voorjaar ‘nieuwe huizen’ opgeleverd die nu van ellende instorten.

‘Wij zitten hier voor vijf tot acht jaar, en we willen bouwen voor veertig jaar’, zegt Anthony Maryon, hoofd van de Rode Kruis-federatie in Sri Lanka. Build back better, is het motto: de dorpen moeten straks beter af zijn dan vóór de tsunami. Op veel plaatsen is te zien dat dat gaat lukken. Er verrijzen mooie gezondheidscentra, huizen krijgen eindelijk waterleiding.

Maar het kost tijd. Bureaucratie speelt een rol; stroperige ambtenarij over eigendom en verkaveling van bouwgrond wordt genoemd als grootste vertragende factor. En duurzaamheid vergt voorbereiding: een paar muurtjes metselen is één ding, tien kilometer landinwaarts een nieuw dorp creëren, met stromend water, riolering en middelen van bestaan een ander.

Kleine, betrouwbare ngo’s hebben hun voordeel van efficiëntie. Aurora Village, een project in Kosgoda van een team Britse vrijwilligers uit Kent: werkelijk fabelachtig. Maar gaan de Britten nu zo’n paradijsje bouwen voor 98 duizend Srilankanen? Nee, natuurlijk, hun spankracht reikt tot veertig huizen, meer niet. Bovendien: ook hier was de opening van het eerste rijtje van twaalf pas op 3 december.

Het Rode Kruis blijft nog tot zeker 2010 in Sri Lanka voor de wederopbouw, zegt Maryon. Niemand hoeft zich zorgen te maken dat het geld niet wordt uitgegeven. Maar het betekent ook dat sommige gezinnen nog jaren in hun ‘tijdelijke behuizing’ zullen wonen.

Dat geldt zeker voor de vergeten groep van de tsunami, de ‘krakers’: mensen die buiten de bufferzone hun huis verloren, maar geen bewijs van landeigendom hebben. In deze scharrelsamenleving zijn dat er nogal wat. Hoeveel? Niemand die het weet. In Katugoda, bij hun hutjes langs het spoor, zitten ze maar te wachten op niets, de boosheid voorbij. Honderd moslimfamilies die buiten de termen van het officiële wederopbouw-programma vallen.

‘Zij komen later aan de beurt’, zegt M.G.S. Dhammasena, hoofd wederopbouw van de regering in het district Galle. ‘Eerst de legale bewoners. We moeten prioriteiten stellen.’

Meer over