Krachtpatserij met af en toe een moment van bezinning

Muziek..

Lonneke Regter

AMSTERDAM Van kale, roerloze delen uit Kunst der Fuge van Bach tot bewogen pathetiek in Schubert: verscheidenheid kenmerkte het debuut van het Elias String Quartet in het Amsterdamse Concertgebouw. Het viertal uit Engeland, sinds 1998 actief, trakteerde de Kleine Zaal op jeugdig elan, dat wisselend uitpakte.

Uit het Strijkkwartet nr. 1 (1876) van Smetana was niet direct op te maken dat de van oorsprong Franse, Schotse en Zweedse kwartetspelers al twaalf jaar samen musiceren. Weinig verwantschap viel te bespeuren tussen het schelle geluid en de stijve opstelling van de primarius Sara Bitlloch en de beweeglijke, warmbloedige musiceermethode van haar zus Marie (cello) en de altviolist Martin Saving.

Van gebrek aan lef kan het Elias Quartet niet beticht worden. In het Allegro moderato alla Polka buitelden stoere, gespierde passages over elkaar heen. Meestal grof, soms frivool en zeker spannend. Een minpunt: vele onzuiverheden, vooral bij de eerste violiste.

Een voorbode voor subtiele introspectie vormde de dramatische cellosolo in het Largo sostenuto. In het Vivace, waarin Smetana refereert aan zijn opkomende doofheid, klonk voor het eerst meer diepte door.

In het Strijkkwartet Der Tod und das Mädchen van Schubert hanteerde het kwartet een vergelijkbare aanpak: woelige krachtpatserij met af en toe een moment van bezinning. Het bekende Andante con moto kreeg door contrasten in dynamiek en karakter verrassende wendingen.

In het Presto domineerde schrille wildheid die de fijnbesnaarde muziek van Schubert geen recht leek te doen.

Het ensemble leek het meest in evenwicht in de toegift, het Andante uit het Strijkkwartet nr. 52, op. 64 nr. 6 van Haydn. Pure, heldere vioolklanken deinden op rustige golven van donkergekleurde lage strijkers: eerlijk en harmonieus samenspel.

Meer over