Krachtige mix van avontuur en gedegenheid

Benthem is er voor de infrastructuur, Crouwel voor de glamour en de zwier. Samen bouwen ze machines waarin een mens zich prettig moet voelen Ze zijn de jongens van 'doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg'....

Marina de Vries

Een compliment, vonden Jan Benthem (1952) en Mels Crouwel (1953). Ze zijn namelijk wars van opsmuk. Een zekere jongensachtige bravoure was hen echter nooit vreemd, maar de laatste jaren treedt het spektakel steeds meer op de voorgrond. Het Rijksmuseum op Schiphol is daarvan het beste voorbeeld: een zwevende bijouteriedoos van goud, alleen te bezoeken door vliegtuigpassagiers.

Hun carri begon in de jaren tachtig met douanegebouwen in onder ander Oldenzaal en Hazeldonk: eenvoudige, high-tech constructies, herkenbare bakens aan de Hollandse grens. Ook het eigenzinnige eigen woonhuis van Benthem haalde meteen alle architectuurbladen.

Langzaam veroverden ze Nederland, een land waar al hun aandacht op is gericht, want in het buitenland hebben ze tot nog toe geen enkele opdracht aanvaard. Inmiddels kan niemand meer om hen heen. Hun uitgebreide opdrachtenportefeuille reikt van kantoor de Malietoren in Den Haag en de verbouwing van het Anne Frankhuis tot het stadshart van Amstelveen en het masterplan van Schiphol.

Hoewel de portefeuille officieel niet is onderverdeeld, spitst Jan Benthem zich toe op de grote infrastructurele projecten: Schiphol, het nieuwe busstation achter het Amsterdamse Centraal Station en de Noord-Zuidlijn. Mels Crouwel is verantwoordelijk voor de glamour en de zwierigheid. Hij ontwierp museum De Pont in Tilburg, de verbouwing van het Fotomuseum in Amsterdam, het uitbundige popcentrum 013 in Tilburg en Villa Arena, de Hollandse woonwinkelmall waarbij de bezoekers op zijn Amerikaans op het dak parkeren.

Per 1 oktober is Crouwel benoemd tot Rijksbouwmeester, een ambt dat hij parttime gaat uitvoeren. Hij blijft voor twee dagen per week verbonden aan zijn bureau en zal zich dan vooral bezighouden met het Stedelijk Museum.

Vooral met de verbouwing van De Pont, een oude textielfabriek, heeft Crouwel de kunstwereld behaagd. Hij schraapte het gebouw kaal, combineerde een royale, open tentoonstellingszaal met intieme kabinetten, liet het daglicht via het dak binnenstromen. Hier treedt de architectuur nu eens niet op de voorgrond, vonden de kunstenaars, maar maakt het gebouw zich dienstbaar aan de kunst.

Juist de combinatie van gedegenheid en avontuur maakt het werk van Benthem en Crouwel bijzonder en aantrekkelijk. Niet voor niets beschouwen zij gebouwen als machines, waarin het interne radarwerk tot in de puntjes en tot aan de toiletten moet functioneren. Tegelijk moet een mens zich prettig voelen en het oog zich verbazen over de futuristische materiaalkeuze en de geraffineerde constructies.

Toch valt hen niet louter lof ten deel. Hun ontwerp voor de uitbreiding van de Rietveld Academie in Amsterdam was aan de straatkant zo gesloten, dat het meerdere malen herzien moest worden. En het Ibis Hotel naast het Centraal Station is voor velen een van de lelijkste gebouwen van Amsterdam.

Meer over