Kracht, geheimen, of intelligentie

Dichters schijnen aardige, ruimdenkende mensen te zijn. Zij realiseren zich beter dan wie ook dat de wereld dermate complex is, dat alles wat je erover zegt een voorlopig karakter heeft....

Daar komt bij dat poe, alleen al economisch gezien, een marginale aangelegenheid is. In de grote wereld doet poe er niet toe. Misschien komt het daardoor dat ook dichters met totaal verschillende literatuuropvattingen bijeen kunnen komen zonder elkaar naar het leven te staan. Het is de vraag of poe gebaat is bij zoveel beleefdheid. Zouden dichters geen hemelbestormers moeten zijn? En sluit de ene hemel de andere niet principieel uit?

De laatste jaren wordt vaak beweerd dat de Nederlandse poe uitzonderlijk rijk geschakeerd is, dat honderd bloemen mogen bloeien zonder dat er sprake is van scholen, stromingen en rivaliserende tijdschriften. Dat de diversiteit groot is, klopt, maar dat er geen duidelijke tendensen zijn waar te nemen, valt te betwijfelen. Zo lijken enkele critici zich in toenemende mate te ergeren aan al dan niet bedaagde bekentenislyriek die het in de eerste plaats moeten hebben van de interviews die de auteurs er maar al te graag bij leveren.In Vlaanderen zijn dichter-critici actief die alles wat er verschijnt op zijn ideologische en politieke merites beoordelen. Zij gaan daar ver in, misschien soms te ver, maar je kunt je afvragen of de maatschappelijke neutraliteit van de meeste Nederlandse poe een voordeel is.

Dan is er een groep dichters die, volgens een recente studie van Thomas Vaessens en Jos Joosten, met name de concepten persoonlijkheid en coherentie ter discussie stelt. Sommigen van hen doen er alles aan om zichzelf bij het schrijven zoveel mogelijk buiten te sluiten, terwijl zij alle pogingen van de lezer om de poe bevredigend te interpreteren,frustreren. Ten slotte is er een grote schare dichters die slechts wil amuseren. Veel podiumdichters, deelnemers aan Poetry Slam-wedstrijden en schrijvers van light verse behoren tot deze groep.

Genoeg reden om van mening te verschillen, kortom. Omdat wie voor het eerst een gedicht schrijft nooit vanuit het niets begint, maar zich altijd orieert op voorbeelden, is het interessant om te kijken hoe debuterende dichters aansluiten bij wat er al is.

Hoewel de Buddingh'-prijs, die op 16 juni zal worden toegekend, ongetwijfeld is ingesteld in de hoop dat er ieder jaar een uniek genie bekroond zou kunnen worden, leert de geschiedenis dat dit zelden voorkomt. Zo werd de prijs wel eens toegekend aan een conventionele bundel die niets nieuws aan de Nederlandstalige poe had toe te voegen (Jane Leusink), werd een briljante eenling gepasseerd (Nachoem Wijnberg), ging de eer naar een dichter van wie vervolgens jarenlang niets meer werd vernomen (Pem Sluijter), en werden er vaak bundels genomineerd die geen enkele recensent een blik waardig had gekeurd. Daar staat tegenover dat prijswinnaars als Tonnus Oosterhoff en Mark Boog hun beloftes volledig hebben waargemaakt.

De vier bundels die nu zijn genomineerd, verschillen behoorlijk van elkaar. Twee vrouwen, Maria Barnas en Saskia de Jong, nemen het op tegen twee mannen, Bas Belleman en Joep Kuiper. Geen Vlamingen dit jaar. Vier uitgeverijen.

Barnas publiceerde eerder twee romans en recenseert poe in De Groene Amsterdammer, de andere drie dichters zijn echt nieuwkomers. De bundels van Belleman en Barnas zijn zeer toegankelijk, de andere twee laten zich minder gemakkelijk veroveren. Boeken die ook voor nominatie in aanmerking hadden kunnen komen, waren Dat het zo hoorde van Tsead Bruinja en Hulp van Bart Meuleman, maar met het uitverkoren viertal zullen de meeste poelezers wel uit de voeten kunnen.

Belleman, die uit de stal van Gerrit Komrij komt, schrijft heldere, intelligente gedichten. Hij wil de zaken niet ingewikkelder maken dan nodig is, hoewel hij zich ten volle realiseert dat je alles ook anders zou kunnen zien. Dat blijkt uit zijn gegoochel met de reclameslogan 'nu nog volop ventilatoren', die op alle mogelijke manieren wordt herschreven. Belleman is geestig en observeert goed: 'Het filmhuis toont films die op feesten/als pochet kunnen dienen.' Maar hij raakt je niet.

Dat doet Saskia de Jong wel. Haar uiterst complexe gedichten wekken de indruk dat er een getourmenteerde, godzoekende ziel aan het woord is, die de verschrikkingen van het leven alleen maar via omwegen durft te benaderen: ik zag ook de roofvogel alsjeblieft sissen, de hoofden leeg vreten, wat stottert verweven de platgebouwdheid tegemoet mag hij uw huiden bezitten?

hij doet het

De bundel Zoekt vaas is echter nogal onevenwichtig. Onschuldige anekdoten contrasteren met gedichten die hun geheimen ook na tien keer lezen niet willen prijsgeven. Want daarom gaat het hier: geheimen en een onmacht tot overgave.

Ook Maria Barnas schrijft over een ingewikkeld vrouwenleven, maar zij neemt meer afstand. Haar gebeeldhouwde zinnen verraden een sterke persoonlijkheid en een groot vakmanschap. Als je zo'n strofe kunt neerzetten: 'Hoe moet ik gaan liggen in het bed/van een woedende man?/Ik heb hem zo gemaakt', dan weet je wat schrijven is.

De hecht geconstrueerde bundel van Joep Kuiper bevat harde, raadselachtige gedichten. Ze gaan over beeldenstorm en revolutie, moord en doodslag, religie, verrotting en seks. Deze poe maakt het de lezer in geen enkel opzicht gemakkelijk:

'Ontwaakt druip ik in/ham druipt ham van mijn botten rottend/rechtstreeks in containers export.' Daarom moet Kuiper komende woensdag in Rotterdam de Buddingh'-prijs krijgen.

Meer over