Kosten en baten van een supermacht

Sommige historische gebeurtenissen hebben hun eigen beeldmerk gekregen. In terugblikken op het politieke voorspel van de eerste Golfoorlog - die van George Bush senior dus - zie je bijna altijd beelden van de president die zojuist per helikopter van zijn buitenverblijf naar het Witte Huis is gebracht, over het gazon...

Paul Brill

Dat toen nog tamelijk onbekende staflid heette Richard N. Haass, en hetwas niet de eerste keer noch zou het de laatste keer zijn dat hij op eencruciaal moment een gewichtige boodschap afleverde bij de bewoner van hetWitte Huis, al gebeurde dat verder nooit onder het toeziend oog van demedia. Haass diende meerdere presidenten: Jimmy Carter vanuit het Pentagon,Ronald Reagan vanuit het State Department. Onder George H.W. Bush was hijde voornaamste vormgever van het Midden-Oostenbeleid. Van 2001 tot '03leidde hij de politieke afdeling van het ministerie van Buitenlandse Zakenen voerde hij voor minister Colin Powell speciale missies uit naarNoord-Ierland en Afghanistan. Sinds 2003 staat Haass aan het hoofd van deCouncil on Foreign Relations, de meest prestigieuze buitenlands-politiekedenktank van de Verenigde Staten, die is gevestigd in New York.

Hij mag dan ook het prototype van een ingewijde worden genoemd, die metzijn neus op de grote internationale gebeurtenissen van de afgelopen tweedecennia heeft gezeten. Dat alleen al maakt zijn geschriften de moeitewaard. Bovendien bezit hij een scherpe analytische geest. Dat bleek uit TheReluctant Sheriff - The United States after the Cold War, een boek dat hijschreef tijdens de jaren van Bill Clintons presidentschap en dat gaat overde kloof tussen de ambities van de VS als supermacht en de bereidheid omdaarvoor de nodige offers te brengen. Het blijkt wederom uit zijn nieuwsteboek, The Opportunity, waarin hij tracht aan te geven wat Amerikaansleiderschap op het wereldtoneel van de 21ste eeuw wel en niet vermag.

In een essay voor de jongste editie van het tijdschrift Commentaryonderscheidt Charles Krauthammer vier hoofdstromingen in het hedendaagseAmerikaanse denken over buitenlandse politiek: het realisme, het liberaleinternationalisme, het neoconservatisme en het isolationisme. Van ditkwartet is het isolationisme eigenlijk een has-been; er is weliswaar geengebrek aan politici en publicisten met isolationistische noties c.q.sentimenten, maar sinds de Tweede Wereldoorlog hebben die eigenlijk nooitmeer een voet aan de grond gekregen in de Amerikaanse beleidscentra.

De andere drie stromingen hebben de laatste twintig jaar beurtelings dekans gekregen om te laten zien wat ze waard zijn. Onder Bush senior - eneigenlijk ook al in de laatste jaren van Reagans presidentschap -domineerde het realisme, waarbij in de eerste plaats werd gestreefd naarstabiliteit en indamming van vijandige krachten. Het liberaleinternationalisme, met zijn voorkeur voor een volkenrechtelijke orde, zettede toon in de Clinton-jaren. Met het aantreden van George W. Bush werdende bordjes weer verhangen, ditmaal ten gunste van het neoconservatisme.Nationale belangen werden weer met opgeheven hoofd behartigd. Unilateraalgebruik van Amerikaanse macht, ook om potentiële dreigingen het hoofd tebieden, was geen zondige gedachte meer. Niet langer werd stabiliteit alsde wegbereider van vrijheid en democratie gezien, maar veeleer gold hetomgekeerde parool: alleen door actieve promotie van vrijheid en democratiekan stabiliteit ontstaan. De president zei het met zoveel woorden in detoespraak die hij in januari van dit jaar hield na het afleggen van zijntweede ambtseed.

Krauthammer, zelf een prominent pleitbezorger van de neoconservatievezaak, ziet nu een toenadering ontstaan tussen neoconservatieven enrealisten. De lokroep van vrijheid en democratie blijft van eminentebetekenis, maar in de weerbarstige praktijk moet worden aanvaard dan nietiedereen in gelijke mate het mes op de keel kan worden gezet.Rechtlijnigheid is contra-productief. Krauthammer spreekt in dit verbandvan een 'democratisch realisme', een term die lijkt toegesneden op dehuidige sleutelfiguren in Bush' buitenlands-politieke team: beleidsmakersdie eigenlijk voortkomen uit de realistische school, maar die zich na 9/11zeer gevoelig hebben getoond voor het activisme van de neoconservatieven.

Je zou het neoconservatism light kunnen noemen, en de vraag is ofiemand als Haass zich daarin zou kunnen vinden. Een zeker 'optimisme vande wil' is hem bepaald niet vreemd, zoals al blijkt uit de titel van zijnboek en vooral uit de ondertitel: America's Moment to Alter History'sCourse. Maar daarmee houdt zijn liefde voor de neoconservatievestrijdparolen wel zo'n beetje op. Want hoewel Haass nimmer de frontaleaanval kiest, maakt zijn boek duidelijk dat hij op een aantal belangrijkepunten diepgaand van mening verschilt met de regering waarvan hij zelf ruimtwee jaar deel heeft uitgemaakt.

Natuurlijk moet verbreiding van vrijheid en democratie een belangrijkoogmerk van de Amerikaanse politiek zijn, schrijft hij. Maar hij acht hetverkeerd om het tot hoeksteen van het hele beleid te maken. Er zijn te veelandere acute problemen, variërend van de terroristische dreiging tot denucleaire proliferatie en de aantasting van het klimaat, die ook van vitaalbelang zijn voor de VS en waarbij het democratisch imperatief van beperktewaarde is.

De genuanceerde afweging die moet worden gemaakt tussen verschillendebeleidsdoelstellingen, dient eveneens te worden toegepast op de kostenkant.Om die reden is Haass kritisch gestemd over de interventie in Irak.Uiteraard is de wereld ermee gediend dat een agressieve tiran als SaddamHussein niet langer in het zadel zit. Maar daarmee is niet gezegd dat debaten van de interventie opwegen tegen de kosten. 'Net zoals in dezakenwereld komt het in de politiek aan op een verantwoorde balans tussenkosten en baten.' Welnu, gegeven de mate van dreiging die van Saddam noguitging, zijn de politieke, militaire en economische kosten te hoog,betoogt Haass.

Onwillekeurig vraag je je dan af hoe deze kosten-batenanalyse metterugwerkende kracht uitpakt voor een kwestie waarbij Haass zelf nauw wasbetrokken, namelijk de beslissing tijdens de eerste Golfoorlog om niet doorte stoten naar Bagdad en Saddam te laten zitten. Was niet veel later onheilvoorkomen als Washington toen had doorgezet? Die extra klap was op grondvan Haass' eigen criteria zeker mogelijk geweest, want in zijn visie kangewapend optreden ook legitiem zijn zonder een expliciet VN-mandaat (datdestijds slechts voorzag in de bevrijding van Koeweit). Maar helaas, hijgaat er niet op in.

Het is een manco dat zich in dit boek vaker voordoet. Haass is sterk inhet aangeven van de grote lijn, maar bij concrete dilemma's houdt hij zichnogal eens op de vlakte. Amerika en zijn partners moeten een 'gezamenlijkantwoord' klaar hebben voor het geval dat Iran en Noord-Korea toch doorgaanop de weg naar de ontwikkeling van kernwapens. Maar hij geeft niet aan hoedit antwoord moet luiden - en daar komt het toch juist op aan.

Dat geldt evenzeer voor de vraag hoe in de VS zelf weer voldoendedraagvlak kan worden gecreëerd voor een minder bevlogen, maar tochsturende en daadkrachtige buitenlandse politiek, anders gezegd: voor eencomeback van de realistische school waarvan Haass duidelijk een exponentis (met een vleugje liberaal internationalisme). Ook voor de analyticuszonder actieve rol in het politieke leven behoort die vraag geenbijkomstigheid te zijn. Niet voor niets heet Haass' slothoofdstuk 'TheNecessity', wat zeer wel de titel van het hele boek had kunnen zijn.

Paul Brill

Richard N. Haass: The Opportunity - America's Moment to Alter History'sCoursePublic AffairsImport Van Ditmar 242 pagina's 31,95ISBN 1 58648 2769 Public AffairsImport Van Ditmar 242 pagina's 31,95ISBN 1 58648 276 9

Meer over