Kosovo slechter af zonder 'vader' Rugova

Kosovo rouwt om het heengaan van zijn president, Ibrahim Rugova. Hij overleed voor het begin van de onderhandelingen over de onafhankelijkheid van de provincie, waarvoor hij jarenlang ijverde....

Ibrahim Rugova, de president van Kosovo die zaterdag overleed aanlongkanker, heette ook wel de 'Gandhi van de Balkan'. Die bijnaam, ooitbedacht door westerse journalisten, leek niet zozeer gebaseerd op Rugova'sideeën als wel op zijn stijl en voorkomen. Rugova had een voor eenBalkan-politicus vreemde, zachtzinnige, intellectualistische manier vandoen. Zijn nationalistische gedachtegoed was minder afwijkend. Zijn doelis vanaf het begin van zijn politieke loopbaan steeds hetzelfde geweest:onafhankelijkheid voor Kosovo. Mee mogen maken heeft hij die niet.

Op grond van zijn ideeën was Rugova welbeschouwd de logischeKosovo-Albanese representant in een serie nationalistische leiders die rond1990 overal in het uiteenvallende Joegoslavië een succesvolle greep naarde macht deden. Wellicht onderscheidde hij zich door zijn consequenteafwijzing van geweld. Echter: ten tijde van zijn opkomst verkeerden deAlbanezen in Kosovo in een absoluut ondergeschikte positie en haddennauwelijks wapens.

Het mag een vreemde kronkel van de geschiedenis heten dat dezebroodmagere, verstrooide, immer met een zijden rode sjaal getooide man zichontpopte als leider van de Albanezen in de Servische provincie Kosovo. Zijvormden daar 90 procent van de bevolking. In de periode 1988-1990 hadSlobodan Milosevic een einde gemaakt aan hun zelfbestuur dat voortvloeideuit de Joegoslavische grondwet van 1974. Vanaf 1990 was er in Kosovo eenregime van kracht dat weinig anders was dan een Servisch apartheidsregime.

Rugova, in 1944 geboren in een dorpje in het westen van Kosovo, was een a-typische leider van een onderdrukte meerderheid. Deze man, in de jarenzestig aan de Sorbonne geschoold in de linguïstiek en later hoogleraarAlbanese literatuur aan de Universiteit van Pristina, was de tegenpool vande macho-politici van wie er later zoveel in Kosovo zouden opstaan. Hij wasslonzig gekleed, zijn haar zat slecht. Hij was een weinig begenadigdspreker en in het openbaar timide, onhandig en verstrooid. Zo zette hijtijdens internationale onderhandelingen ooit zijn handtekening onder eenmenukaart, denkende dat het de tekst van een akkoord was.

Rugova was ook geen lucide intellectueel à la de in 1999 door mannenvan Milosevic geëxecuteerde Fehmi Agani. Het geheim van zijn succes moethem hebben gezeten in een combinatie van nationalistische ambities,koppigheid en een aandoenlijk voorkomen.

Vanaf 1990 was Rugova de 'president' van een eenzijdig door deKosovo-Albanezen uitgeroepen 'parallelstaat' die door niemand werd erkend.De Kosovo-Albanezen runden er hun eigen scholen, ziekenhuizen enoverheidsdiensten, los van de officiële Servische. Milosevic kwam dit nietslecht uit. Hij had in deze tijd zijn handen vol aan de oorlogen inKroatië en Bosnië en was gebaat bij een Kosovo dat dankzij Rugova min ofmeer 'stabiel' bleef.

Jaren ging dat zo door - totdat een generatie jonge, ontgoochelde Kosovo-Albanese mannen in 1998 concludeerden dat ze met de in hun ogenslome en wereldvreemde Rugova tot sint-juttemis op onafhankelijkheid kondenwachten. Zij bewapenden zich met kalasjnikovs die in 1997 tijdens deanarchie in Albanië massaal waren vrijgekomen, richtten het KosovoBevrijdingsleger (UCK) op en openden de aanval op de Servische politie. Ineen paar maanden tijd bereikte het UCK wat Rugova in een decennium niet wasgelukt: Kosovo op de internationale agenda te krijgen. Milosevic reageerdemeedogenloos op de provocaties en deed daarmee precies wat het UCK van hemhad verlangd. In het voorjaar van 1999 intervenieerde de NAVO ten faveurevan de Kosovo-Albanezen en begon de Kosovo-oorlog.

Die oorlog leek een definitief einde te maken aan het door het UCKreeds ernstig ondermijnde gezag van Rugova. In april 1999 werd Rugova doorServische paramilitairen ontvoerd uit zijn woning in Pristina, naarBelgrado geëscorteerd en daar gedwongen met Milosevic op de Servischestaatstelevisie te verschijnen. Toen Milosevic in juni 1999 voor de NAVOdoor de knieën ging en zijn troepen uit Kosovo terugtrok, achtte het UCKde rol van de 'gecompromitteerde' Rugova volledig uitgespeeld. De 29-jarigeUCK-commandant Hashim Thaci - die zijn guerrilla-outfit verruilde voor een krijtstreeppak - achtte zich reeds de nieuwe Kosovo-Albanese leider.

Het bleek een zware onderschatting van de man met de rode sjaal. Degewone bevolking bleek Rugova zijn gedwongen theevisite bij Milosevicnauwelijks kwalijk te nemen. Zijn populariteit bleef groot. In 2002 tradhij, nu officieel, aan als president van Kosovo, dat na de uittocht van deServische manschappen een protectoraat van de VN was geworden.

Er waren echter veel overeenkomsten met de Milosevic-jaren. Rugova waspresident, maar macht had hij niet. Rugova pleitte constant vooronafhankelijkheid, maar bereikte daar niets mee. Het was opnieuw eengeweldsgolf - in maart 2004 op gang gebracht door Albanese jongeren - dieverandering bewerkstelligde. Als gevolg van die uitbarsting gaf deinternationale gemeenschap in 2005 het groene licht voorstatusonderhandelingen over een vorm van onafhankelijkheid voor Kosovo.

Rugova had talloze zenuwslopende jaren kettingrokend doorgebracht. Inseptember vorig jaar maakte hij bekend dat hij aan longkanker leed. Hij zeitoen nog dat hij waarschijnlijk het einde van die onderhandelingen en de'echte onafhankelijkheid voor Kosovo' nog zou meemaken.

Meer over