Korfbal kan publieke bestel niet redden

Het paniekvoetbal van André van der Louw brengt de publieke omroep alleen maar verder van huis. Deze kan marktaandeel winnen op de commerciële tv als zij een vergaande zenderkleuring doorvoert, meent Kees van Twist....

KEES VAN TWIST

TOEN op zaterdagmiddag 10 februari in Zeist de komst van een zelfstandig commercieel sportkanaal werd aangekondigd, liet NOS-voorzitter André van der Louw zijn emoties de vrije loop en toonde hij zich een waar verdediger van de Publieke Omroep.

Niet eerder had de voorman van de publieke omroep zich zo opgewonden. Terwijl er toch zoveel andere en belangrijker momenten zijn geweest waar hij zijn leiderschap als voorzitter van die publieke omroep had kunnen tonen.

Bijvoorbeeld in september 1995, toen staatssecretaris Nuis de mening van de NOS wilde weten over de toekomst van het bestel. Van der Louw liet het gebeuren dat er een verdeeld standpunt van de omroepen naar Den Haag werd verzonden. Als Hilversum onder aanvoering van de NOS-voorzitter meer eenheid had getoond en een gezamenlijke visie had ontwikkeld op de toekomst van het publieke bestel, dan was een commissie-Ververs (die in opdracht van staatssecretaris Nuis binnenkort adviseert over de structuur van de publieke omroep) niet nodig geweest.

Het is opvallend dat Hilversum (en in het bijzonder de NOS-voorzitter) pas wakker geschud is nu de verdeling van de sportrechten aan de orde zijn. Er wordt in paniek gereageerd, zonder zich te bezinnen op de echte vragen waar het bestel voor staat. Die opwinding is des te opmerkelijker omdat de meest succesvolle netten, uitgedrukt in marktaandelen en reclame-inkomsten, zowel bij de commerciële als bij de publieke omroep de zenders zijn die geen minuut sport uitzenden, namelijk RTL 4 en Nederland 1.

In plaats van dit opmerkelijke feit eens nader te bestuderen en daar wellicht lering uit te trekken besloot het Dagelijks Bestuur van de NOS onder leiding van André van der Louw om van elke omroep twee miljoen gulden te vorderen - in de hoop met microkorfbal en waterpolo het publieke bestel te redden.

Naast de VPRO stemden alleen de bespelers van Nederland 1 tegen dit voorstel. Steeds opnieuw lijken de ideeën van de dagelijkse leiding van de NOS eerder ingegeven te zijn door paniekvoetbal dan dat ze getuigen van een werkelijke visie op de Publieke Omroep.

Dure ad hoc maatregelen door op alle dagen sport uit te zenden zijn niet de oplossing om een publiek omroepbestel overeind te houden. Ten hoogste kan het verlies van enkele procenten marktaandeel nog even worden tegen gehouden.

Het tijdperk van dit verzuilde bestel is voorbij. De traditionele publieke omroep met ieder zijn eigen vereniging, zijn eigen kop-en-schotel en zijn eigen lepeltje, is niet meer van deze tijd.

Een recent onderzoek van de Dienst Kijk- en Luisteronderzoek wijst uit dat nog slechts 19 procent van alle omroepleden het lidmaatschap van een omroep belangrijk vindt. Het verbaast niet dat dit percentage het hoogst is bij de abonnees van het EO-blad Visie: 49 procent. Het laagst is het bij de abonnees van de TROS en de AVRO-bladen; daar vindt nog slechts 7 procent de binding met de omroepvereniging van belang.

Waarop beroepen de huidige publieke omroepen zich als het bestaande systeem van leden en ledentelling nauwelijks nog gedragen wordt door een echte binding? Wanneer dat het criterium blijft, zal alleen een omroep als de EO recht van bestaan hebben.

Deze constatering stelt de omroepen, de commissie-Ververs en straks de politiek natuurlijk voor de meest wezenlijke vraag. De legitimiteitsvraag van de bestaande publieke omroepen is aan de orde.

Het getalscriterium van de abonnees op de omroepbladen geldt niet langer als de betrouwbare graadmeter. Op welke gronden kan een omroep in de toekomst dan nog wel aanspraak maken op omroepgelden en het recht op een uitzendconcessie?

TEGENOVER de cijfers waaruit het gebrek aan binding blijkt, staat de uitslag van een onderzoek van Intomart, in opdracht van de NPS, waaruit op te maken is dat ruim 83 procent van de Nederlanders vindt dat de omroepen, met ieder hun eigen programma's, moeten blijven bestaan. De opgave wordt dus om nieuwe criteria te ontwikkelen op basis waarvan in de toekomst de publieke uitzendlicensies en omroepmiddelen worden toebedeeld. Criteria die meer inhoudelijk van aard zijn dan getalsmatig.

De uitdaging voor de commissie-Ververs is: hoe houd je een pluriforme publieke omroep in stand waar alle politieke, maatschappelijke, culturele en religieuze varianten uit onze samenleving zich vertegenwoordigd voelen?

Wellicht is het verstandig en werkbaar uit te gaan van de bestaande omroepen. In hen is het palet van de Nederlandse samenleving redelijk vertegenwoordigd en ze hebben een ervaring van zeventig jaar in het maken van publieke programma's.

Uitgaan van de bestaande omroepen hoeft niet automatisch te betekenen dat op basis daarvan ook de publieke netten worden ingedeeld. Het kijk- en luisterpatroon van het publiek gedraagt zich naar andere wetten, en dat hoort de inrichting van de publieke netten te bepalen. Daarbij is een totaal andere benadering nodig van de huidige indeling van Nederland 1, 2 en 3.

Vroeger lieten omroepen zich nog indelen langs de politiek-maatschappelijke lijnen in een katholieke, een protestantse, sociaal-democratische en een burgerlijk-liberale omroepvereniging. Vandaag laten kijkers zich niet meer indelen volgens deze begrippen.

Het idee om de bestaande netten langs de lijnen van de politiek te kleuren, Nederland 3 het progressief sociaal-democratisch net, Nederland 2 het burgerlijk-liberaal net en Nederland 1 voor de christen-democraten, is hopeloos ouderwets en achterhaald. Het stamt nog uit het denken van de jaren zestig en zeventig, toen men dacht dat de wereld en de media zich nog langs politieke lijnen lieten opdelen.

Het is daarom ook niet verwonderlijk dat een dergelijke indeling van de publieke omroep nog steeds gesteund wordt door met name politici uit die periode. Alsof er niets veranderd is in de wereld van de media met betaaltelevisie, television on demand, special interest channels en de opkomst van commerciële televisie.

Natuurlijk weten mensen die deze opvatting aanhangen, zoals Marcel van Dam, André van der Louw en Wim Meijer beter en zullen zij ook moeten onderschrijven dat de mensen niet meer sociaal-democratisch televisie kijken of burgerlijk-liberaal naar de radio luisteren. Mensen stemmen af op een net waarvan ze ongeveer weten wat voor programma ze er kunnen verwachten en waar ze op dat moment behoefte aan hebben. In dat opzicht is de radio met zijn zenderkleuring de televisie ver vooruit.

Het is nog een gevoelige disussie binnen de publieke omroep, want het vergt een andere manier van denken. Toen in de zomer van 1995 in een informele vergadering van omroepdirecteuren de suggestie aan de orde kwam om ook over de grenzen van het 'eigen' net heen te programmeren, werd er in eerste instantie door alle omroepdirecteuren, uitgezonderd vreemd genoeg NPS-directeur Willem van Beusekom, positief gereageerd.

Maar enkele weken later wilden dezelfde omroepdirecteuren deze mogelijkheid verder onbesproken laten en verschanste men zich liever weer op het 'eigen' net.

De angst om deze optie bespreekbaar te maken lijkt ingegeven door het feit dat het als een schande wordt ervaren wanneer eerder publiek ingenomen standpunten over de inrichting van de omroep opnieuw ter discussie worden gesteld.

Wat ook verder het motief mag zijn geweest: een rapport van de Britse onderzoeker Peter Menneer, die de net-overschrijdende programmering onderzocht, verdween in oktober schielijk weer in de bureaulade van de omroepen.

Deze oud-BBC-medewerker rekende uit dat bij een ander gebruik van de drie publieke netten er ongeveer 5 procent meer marktaandeel te halen is. Het betekent echter dat er uit gegaan moet worden van branding: per net een herkenbaar inhoudelijk profiel.

Er komt dan een hoofdnet, licht van karakter en puur Nederlands in zijn programma-aanbod. Daarnaast twee complementaire netten waarbij op het ene net het jeugd- en jongerenaanbod wordt geconcentreerd, en op het andere net de wat serieuzer programma's komen zoals documentaires en culturele programma's. In zijn opzet ging Peter Menneer uit van herkenbaarheid door op alle drie de netten met vaste programmabalken te werken.

Door zo de publieke-omroepnetten in te richten, worden de kijkers gemakkelijker binnen de publieke omroep gehouden, want op elk net vindt men wel wat van zijn gading. De eenduidigheid van een net zorgt er voor dat het 'doorkijkeffect' wordt versterkt. Daarnaast kunnen de netten onderling verwijzen zonder elkaar de markt uit te prijzen, want de netten zijn sterk onderscheiden.

Jaloers merkte Menneer nog op dat de kansen voor de Nederlandse publieke omroep met drie netten zelfs aanmerkelijk beter zijn dan die van de Britse BBC met slechts twee netten. Het model van Peter Menneer laat voldoende ruimte voor de omroepen om te blijven doen wat ze nu doen, maar hun programma's worden op een andere manier aan het publiek aangeboden.

Uitvoering van dit voorstel kan het samenwerkingsverband tussen AVRO, KRO en NCRV binnen het AKN-verband gewoon intact laten. Ook de samenwerking tussen de VARA, de VPRO en de NPS kan onverminderd doorgaan.

De geschetste opzet van de publieke netten brengt wel met zich mee dat je een college van netmanagers krijgt die met gezag de schema's van de drie netten indelen. Ze moeten binnen dit systeem van de omroepen bepaalde programma-genres kunnen eisen, wanneer er een tekort van een bepaald type programma op een van de netten ontstaat. Een gezag dat de bespelers van het eerste net AVRO, KRO en NCRV al hebben toegekend aan hun channelmanager Gerard Hulshof.

DE omroepen ontkomen niet aan de vraag of ze op alle gebieden (informatie, amusement, jeugd, cultuur, drama) nog in gelijke mate programma's kunnen en willen aanbieden. De publieke omroepen zouden hun krachten veel beter verdelen door zich te specialiseren. Het voorkomt onnodige concurrentie binnen de publieke omroep en het leidt tot een effectievere inzet van de publieke omroepmiddelen.

Bovendien leidt specialisering in bepaalde programma-genres tot meer onderscheid tussen de verschillende publieke omroepen. De omroepen worden herkenbaar binnen het totaal van die publieke omroep en het leidt tot groter vakmanschap.

Wanneer de VARA bijvoorbeeld expertise heeft op het gebied van komedie en cabaret kan ze zich daarop specialiseren. Laat de VPRO op het gebied van jongerencultuur, avantgarde en documentaires programma's maken. Zoals de AVRO nu al veel doet op het gebied van kunst, serieus drama en jeugddrama, terwijl de KRO het vak van het populaire infotainment goed verstaat en de NCRV zich onderscheidt met gekwalificeerd familieamusement.

Zo ontstaat een publieke omroep die zich niet meer presenteert met drie afzonderlijke, elkaar beconcurrerende, netten. Het wordt een samenhangend geheel waarin elke omroep zijn eigen herkenbare inbrengt levert. Zo'n publieke omroep zal op meer politieke en maatschappelijke steun kunnen rekenen dan thans het geval is.

De omroepen zouden hiermee de vraag naar de legitimiteit van hun recht op een uitzendlicensie en hun beroep op de omroepmiddelen overbodig maken door zich te presenteren als een pluriform samenhangend geheel, waarin de onderscheidende culturele, politieke, maatschappelijke en kunstzinnige stromingen zichtbaar zijn.

Kees van Twist is manager cultuur radio en televisie van de AVRO.

Meer over