Koning Winter en Koning Voetbal

Dit weekeinde speelt Feyenoord een belangrijke uitwedstrijd tegen FC Groningen en ontvangt Ajax in de Arena het altijd lastige RKC....

Paul Onkenhout

En de Winterspelen zijn begonnen, ook dat.

Er is van alles aan de hand, in Salt Lake. Nederlandse verslaggevers hebben al enkele authentieke mormonen ontdekt, het Olympisch dorp was te klein voor de volledige nationale ploeg, een smogwolk bedreigt de gezondheid en Romme en Ritsma weigerden onze nationale driekleur te dragen omdat ze wel iets beters te doen hadden.

Voor even zijn ze voetballers, onze wintersporters. Alles is nieuws en wetenswaardig. Het is nu zelfs hoogst interessant te weten dat Eline Jurg (bobsleester) haar eigen kussen heeft meegenomen naar Salt Lake.

Annamarie Thomas heeft dropjes, stroopwafels, appelstroop en schuddebuikjes ingepakt. (Schuddebuikjes zijn speculaasbolletjes, onder meer geschikt als broodbeleg.)

En godallemachtig, wat zijn ze nog vriendelijk en beleefd en vooral puur, die wintersporters, niet zo verpest als die over het paard getilde voetballers.

Het zal wel. Vooral zo doorgaan meisjes en jongens.

Rintje Ritsma had al een handvol Europese en wereldtitels gewonnen toen collega Matty Verkamman van Trouw bekende dat hij al die jaren had gedacht dat de Beer uit Lemmer een vrouw was.

Dat zegt veel over Verkamman en zijn interesse in andere sporten dan voetbal natuurlijk, maar nog meer over de overeenkomsten tussen schaatsen en voetbal. Die bestaan namelijk niet of nauwelijks, althans, op het eerste gezicht. Koning Winter en Koning Voetbal lijken elkaar niet erg te mogen.

De lallende, in oranje uitgedoste meute die rechtstreeks is geïmporteerd uit een voetbalstadion en in Heerenveen altijd de sfeer bepaalt, verpest zo u wilt, laat ik even buiten beschouwing.

Andere raakvlakken zijn met enige moeite te ontdekken. Dirk Scheringa speelt in beide sporten een rol, als geldschieter die zijn ziekelijke ijdelheid wil bevredigen.

Abe Lenstra was een begenadigd kortebaanschaatser. Foppe de Haan haalde bijna het einde van de barre Elfstedentocht in 1963 en bemachtigde in 1986 het kruisje. (Schaatsverslaggevers zouden hebben geschreven: het fel begeerde kruisje.)

Ik was er ook bij, in 1986. Fotograaf Jerry Lampe, Rik Planting en ik vormden de afvaardiging van het Het Haarlems Dagblad. De nacht voor de Tocht der Tochten (ja ja) brachten we door in het appartement van mijn oudste broer, in Leeuwarden vlakbij de Bonkevaart.

Vier uur opstaan om de start te zien, de finish van de wedstrijdrijders bekijken en dan maar wachten op de regionale helden die, weer en wind trotserend en strijdend tegen de elementen, al dan niet uitgeput de Bonkevaart bereiken.

Om herkenbaar te zijn voor de schaatsers uit de regio Haarlem had de hoofdredacteur ons paarse T-shirts gegeven. In de krant had eerder het bericht gestaan dat de verslaggevers van het Haarlems Dagblad herkenbaar waren aan hun paarse T-shirts. We zagen er belachelijk uit.

Maar het was leuk, zoals het bezoek aan een rommelmarkt leuk kan zijn, of een strandwandeling of de avondvierdaagse.

Romantiek en tragiek waren niet te ontdekken. Ontberingen hoefden niet te worden doorstaan, daarvoor was het ijs te goed en de temperatuur te hoog.

Omdat alle schaatsers uit Kennemerland hetzelfde verhaal vertelden (blaren, aardige Friezen, een enkele valpartij) trokken we ons al ver voor middernacht terug in het appartement aan de Bonkevaart. Daar rinkelde 's nachts de telefoon.

Piet Huyg.

Ik was hem, de oud-voetballer van Haarlem, 's ochtends toevallig tegengekomen bij de start in de Frieslandhal, gespannen en onzeker, en had hem gevraagd mij te bellen als hij de paarse T-shirts zou mislopen.

Piet belde om te zeggen dat hij ondanks enkele fikse tegenslagen de tocht had volbracht. Hij vertelde ook dat dit hem net zoveel voldoening had geschonken als het spelen van een Europa Cup-wedstrijd.

Dat begreep ik niet.

Toch was de start veelbelovend. Mijn vader en oudste broer vulden tijdens schaatstoernooien altijd trouw en fanatiek het schema uit de krant in en ik keek mee, naar schaatsers die het in vliegende sneeuwstormen opnamen tegen de Noorse reus Fred-Anton Maier.

Peter Nottet had een bril.

Eppie Bleeker heette Eppie Bleeker.

Jan Bols vergat van baan te wisselen op de vijf kilometer tijdens het Europees kampioenschap in Heerenveen, in 1971.

Kees Verkerk kwam uit Puttershoek.

De tien kilometer duurde me veel te lang. Als het mooi weer was, bracht ik het laatste deel van de zondag buiten door, om te voetballen en net zo goed te worden als Cruijff. Neeskens mocht ook. Van schuddebuikjes had nog nooit iemand gehoord.

Een serieuze sport is het natuurlijk sindsdien wel geworden, dat schaatsen. Er wordt gebakkeleid over geld, trainers worden wegens gebrek aan succes zonder pardon ontslagen, jaloezie verscheurt ploegen, sponsors roeren zich en niemand neemt dope.

Met enige fantasie zou je kunnen zeggen dat schaatsen steeds meer op voetbal gaat lijken. Nu moet er nog een alternatief worden gevonden voor die eindeloze rondjes. En een seksschandaal graag.

Meer over