Kon ik maar op een school blijven

In het commentaar in de Volkskrant van 3 oktober las ik onder andere: 'Eenmaal leraar, altijd leraar - en ook nog op dezelfde school'....

Waarom? Omdat ik dan misschien de kans had gehad om met vallen en opstaan te groeien in mijn docentschap. Ik durf te beweren dat het aan mijn motivatie niet heeft gelegen. Na mijn afstuderen heb ik ondanks de toen geldende wachtgeldregeling, diverse banen in het middelbaar onderwijs gehad. Variërend van zes tot twintig lesuren, voor een duur van drie maanden tot een half jaar.

Sommige scholen kon ik in twintig minuten op de fiets bereiken, voor de andere zat ik om half zeven in de trein. Alles heb ik aangepakt en eenmaal werkzaam op een school heb ik tegenover collega's ook nooit de schijn opgehouden.

Als ik moeite had met bepaalde klassen vroeg ik advies. Ik overlegde met mentoren over leerlingen. Ook stond de deur van conrectoren en sectiegenoten vaak open en ik schroomde niet om naar binnen te lopen. Ik wilde van hen leren, ik wilde groeien in mijn functioneren als docente. En dat kon ook, tot de docent(e) die ik verving weer terug kwam.

Toch begon ik steeds weer opnieuw vol goede moed aan een volgende baan. Wéér namen van leerlingen leren, wéér mezelf staande proberen te houden, wéér overleg met collega's. En na een paar maanden hield de directeur van de school de deur open: 'heel erg bedankt maar onze collega komt weer terug, dáág'

Na twee jaar en inmiddels in mijn vijfde baan, heb ik op staande voet ontslag genomen. Niet omdat ik geen docente meer wilde zijn, maar omdat het gewoon niet meer ging.

Ik hoop dan ook echt dat de situatie voor toekomstige docenten verbetert want ik geloof nog steeds dat het docentschap een heel mooi beroep is. Het onderwijs heeft jonge mensen nodig en deze mensen moeten ook een kans krijgen zodat ze niet na verloop van tijd, zoals ik nu, 's avonds kantoren moeten schoonmaken om een omscholingscursus te kunnen betalen.

NIJMEGEN

Silvia Jansch-Wouters

Geen stoomcursus

In Forum van 7 oktober beschuldigt de heer H.C.J. Claasen mij ervan het onderwijs onderuit te halen. Dat kan natuurlijk niet waar zijn en gelukkig is dat ook niet zo.

Claasen baseert zich op een beeld dat bij hem en helaas ook breder heerst.

Na slordig lezen van een overigens goed artikel in de Volkskrant van 19 september, denken sommigen dat ik academici een stoomcursus van drie maanden wil geven, om ze vervolgens los te laten op de leerlingen op de basisschool. Zoiets belachelijks ben ik uiteraard nooit van plan geweest.

Wat willen staatssecretaris Netelenbos en ik dan wel?

Ten eerste wil ik duidelijk maken dat het beroep van leraar aantrekkelijk is. Het is een mooi en gevarieerd vak om leerlingen te begeleiden bij het opdoen van kennis en vaardigheden. De arbeidsmarkt voor leraren is goed: wie begint aan een opleiding tot leraar, kan bij afstuderen goed een baan vinden in het onderwijs. Dat was tot voor kort wel anders.

Bovendien zijn de salarissen voor beginnende leraren de afgelopen jaren met 50-60 procent gestegen. Daar spreekt waardering uit en daardoor is het beroep van leraar interessanter geworden.

Ten tweede willen we meer leraren werven. Als we daar niet in zouden slagen, dreigt er begin volgende eeuw namelijk een tekort aan leraren. Deze maand is een campagne begonnen om scholieren te bewegen voor een lerarenopleiding basisonderwijs te kiezen. Volgend jaar komt er waarschijnlijk een soortgelijke campagne voor het voortgezet onderwijs.

Ook doen we een beroep op mensen die al wel een onderwijsbevoegdheid hebben, maar nu niet in het onderwijs werken. We zullen al die mensen een brief sturen.

Er zijn ook mensen die eerst een studie aan hogeschool of universiteit hebben gedaan, en daarna belangstelling tonen voor het leraarsvak. Die mensen hebben we ook nodig. Daarom bestaan er nu al verkorte cursussen van twee jaar, waarin afgestudeerde hbo'ers en academici worden opgeleid tot leraar basisonderwijs.

Ik heb voorgesteld aan een instelling een kleinschalig experiment met 30 studenten te overwegen, waarbij de bestaande tweejarige opleiding wordt omgevormd tot een variant waarin de studenten werken en leren combineren.

De eerste maanden zitten de studenten voltijd in de hogeschoolbanken. Zij zijn daarna uiteraard nog geen volleerd en bevoegd leraar. Wel kunnen zij de resterende periode hun opleiding afronden op een basisschool, met goede begeleiding vanuit zowel de basisschool als de hogeschool.

Zo'n experiment kan alleen zorgvuldig plaatsvinden als daarvoor draagvlak bestaat bij basisscholen, lerarenopleidingen en leraren. De kwaliteit van het basisonderwijs staat daarbij buiten kijf. Van een 'stoomcursus' tot leraar is in een dergelijk experiment dus geen sprake. Dat zou de huidige en toekomstige leraren onrecht doen.

DEN HAAG J.M.M. Ritzen

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Meer over