Koekeroekus houdt wel van een rommeltje

Met het kleinschalige landschap verdwijnt ook de nietige steenuil. Terwijl het zo'n aaibaar beestje is. Tijd om de 'koekeroekus' structureel te hulp te snellen....

WAAR ZIJN de oelekerels weer', brommen boeren in de Achterhoek wanneer steenuilenonderzoeker Ronald van Harxen en zijn collega het erf komen oprijden. Al vijftien jaar toeren de oelekerels met auto en schuifladder door het kleinschalige landschap rond Winterswijk - een van de weinige gebieden waar de kleinste Nederlandse uil zich nog thuisvoelt.

Ze hangen nestkasten op, zagen nestgaten in de dakgoot of beschermen het bestaande nest dat de uiltjes gemaakt hebben onder een rammelend pannendak. Het is hard nodig, zegt Van Harxen, om de laatste dieren te behouden. In tegenstelling tot veel andere roofvogels waarmee het na veel moeizame jaren nu weer beter gaat, neemt het aantal steenuilen in Nederland nog steeds af.

In de noordelijke en westelijke provincies zijn steenuilen al bijna verdwenen. Landelijk zijn er waarschijnlijk nog maar zes- tot achtduizend broedparen over. Dat is een afname met meer dan 60 procent in veertig jaar.

Zoals vrijwel elk bedreigd dier in Nederland heeft de steenuil echter een eigen fanclub, een netwerk van vrijwillige onderzoekers, een Plan van Aanpak en een overleggroep genaamd Stone (Steenuilen Overleg Nederland). Veel aandacht, kortom, voor een nietig beestje dat nauwelijks groter is dan een zanglijster en verdacht veel lijkt op de kwetsbare, sympathieke miniuil koekeroekus uit de verhalen van Harry Potter.

Begin april publiceerde het Steenuilenoverleg een handleiding voor onderzoek en bescherming van de steen uil. Afgelopen week vergaderden Vogelbescherming, Landschapsbeheer Nederland en onderzoeksorganisatie Sovon over de beste manier om de leefomstandigheden voor het beest te verbeteren. Op dit moment ligt dat beheer stil vanwege de MKZ-epidemie, maar ook in normale omstandigheden is het problematisch omdat de steenuil een cultuurvogel is die met simpele ingrepen nauwelijks gebaat zou zijn.

Dat ligt bij andere vogels soms anders. Uilen zoals de bosuil en de rans uil hebben als bosvogels de afgelopen decennia geprofiteerd van het toegenomen bosareaal in Nederland. Roofvogels als de grauwe kiekendief en buizerd profiteren van het relatief schonere milieu en de goede muizenstand.

De steenuil daarentegen is afhankelijk van een gevarieerde omgeving van kleinschalige boerderijen, losstaande schuurtjes en bomen die geschikt zijn om holen in te bouwen, zoals knotwilgen en hoogstam-fruitbomen. Een landschap, kortom, dat hard op weg is te verdwijnen. In het grootschalige Duitsland gaat het daarom nóg slechter met de steenuil, terwijl hij in het rommelige België nog iets vaker dan in Nederland wordt aangetroffen.

In het begin van de jaren tachtig, zegt Van Harxen, ging het overigens écht dramatisch slecht met de kerkuil in Nederland. Van dat dier waren er vermoedelijk nog geen driehonderd broedparen over. Door een intensief beschermingsprogramma - vooral het ophangen van honderden nestkasten - lijken dat er nu al weer meer dan duizend te zijn.

Kerkuil en steenuil profiteren van ongeveer dezelfde omgeving, maar toch zijn de leefomstandigheden van het steenuiltje ingewikkelder. 'Bij de kerkuil bleek nestgelegenheid de meest beperkende factor. Diens jachtgebied en actieradius zijn echter veel groter, tot aan enkele honderden kilometers toe. Daardoor zijn ze minder afhankelijk van het landschap in de directe omgeving. Het territorium van de steen uil is beperkt tot enkele kilometers. Binnen die kring moet het dier dus alles kunnen vinden.'

Dat maakt het uiltje kwetsbaar, en het verklaart volgens Van Harxen ook waarom de steenuil zo moeizaam terugkeert in gebieden waar hij eenmaal is verdwenen. Dat is een extra reden om het niet zover te laten komen. Vooral, zegt hij, door het kleinschalig agrarisch landschap te behouden. Maar omdat dat een moeilijke opdracht is, toch ook maar door volop nieuwe nestgelegenheid te bieden.

Met dat doel staan de steenuilenvrijwilligers elk jaar op de ladder, en praten ze zich menig boerenerf binnen waar ze het bestaan van een steenuil vermoeden. Soms is een gaatje in de dakgoot al voldoende om het beest gelukkig te maken. In andere gevallen wordt een speciale nestkast neergezet. De boeren vinden dat over het algemeen prima. 'Het zijn dan ook aaibare beestjes die ook nog iets nuttigs doen, namelijk op muizen jagen.'

Maar eigenlijk is de onderzoeker niet zo'n voorstander van het ophangen van nieuwe kasten die van Nederland bijna een getimmerde Vinexwijk voor vogels hebben gemaakt. Zo is er nu bijna geen kerkuil te vinden die niét in een door mensen aangeboden huisvesting woont. 'Dat willen we met de steen uil voorkomen. Je zou een populatie opbouwen die volledig afhankelijk is van menselijk ingrijpen. Bovendien is ook de omgeving zelf een beperkende factor. Dus zou het voor de soortbescherming onvoldoende zijn.'

Achteraf twijfelt Van Harxen zelfs aan de lage schattingen van het aantal kerkuilen in de jaren tachtig. 'Door het ophangen van nestkasten weten we die vogels nu precies te vinden en kunnen we ze goed tellen. Maar misschien waren ze er twintig jaar geleden ook wel. Om dezelfde reden is ook de huidige schatting van de steenuil een beetje een slag in de lucht.'

Wat niet de conclusie wegneemt dat het slecht gaat met het beest, haast hij zich te zeggen. Het Steenuilenoverleg heeft de hoop op verbetering onder meer gevestigd op het treffen van beheersovereenkomsten met boeren. Die zouden gestimuleerd kunnen worden hun terrein zo te onderhouden dat er genoeg voedsel voor vogels als de steen uil te vinden is. Muizen vooral, maar ook insecten, wormen, kikkers en soms een voorbijvliegend roodborstje.

Bovendien zouden ook weg- en railbeheerders rekening moeten houden met roofvogels als de steenuil. Ze kunnen dat doen door hun bermen juist ónaantrekkelijk te maken voor muizen. De vogels komen daar nu op af. Eén op de zes teruggevonden dode steenuilen sterft in het verkeer. Meer vrijwilligers kan Stone ook goed gebruiken. 'Dat netwerk wordt erg belangrijk voor de instandhouding van de soort, maar staat nu nog in de kinderschoenen.'

Meer over