KNORREPOT MET VISIE

Hij was nukkig, impopulair, en kon - blijkt uit zijn nu postuum uitgegeven geschriften - niet schrijven ook. Toch zou Nederland gebaat zijn bij een museumdirecteur van het type Wim Beeren....

Hij schijnt een stugge man te zijn geweest. Nukkig. Afstandelijk. Geenbegenadigd spreker. En hij kon ook zo misnoegd de camera in kijken. Nee,in de herinnering neemt Wim Beeren (1928-2000) in de pikorde vanNederlandse museumdirecteuren een bescheiden plaats in, na Willem Sandberg,Edy de Wilde en Rudi Fuchs. Ook tegenover eigentijdse directeuren als Wimvan Krimpen, Sjarel Ex en Kees van Twist zou hij niet in het oog springen.

Weinig aimabel, niet populair. Jaren na zijn directoraat liepen er inmuseum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam nóg medewerkers enconservatoren rond die zijn bloed wel konden drinken, omdat Beeren al hetgeld had gespendeerd aan moderne kunst, en niet aan design, oude tekeningenen schilderijen. Later, bij zijn sollicitatie voor het Stedelijk Museum inAmsterdam, kreeg hij het te stellen met oppositie uit de grachtengordel,die liever Rudi Fuchs in het museum hadden gezien. En eenmaalStedelijk-directeur zwol de kritiek aan door zijn vreemde tentoonstellingenuit onbekende kunst-continenten en tegendraadse aankopen, zoals het'biggetje' van Jeff Koons.

De definitieve deuk in Beerens imago kwam door de restauratie vanBarnett Newmans schilderij Who's Afraid of Red, Yellow and Blue, tijdenszijn jaren in Amsterdam. De restauratie, uitgevoerd door de AmerikaanDaniel Goldreyer, betekende de vernietiging van het kunstwerk: het doekbleek bij nader onderzoek met niet te verwijderen alkyd over te zijngerold.

En alsof dat nog niet genoeg is, is er nu een boek verschenen metteksten van Beeren over 'moderne kunst, kunstenaars, musea en kunstbeleid',waaruit blijkt dat de gewezen hoofdconservator van het Gemeentemuseum DenHaag (1954-1965) en Stedelijk Museum (1965-1971), lector aan deRijksuniversiteit van Groningen, directeur van het Boijmans (1978-1985) enhet Stedelijk (1985-1993), ook niet kon schrijven. Wim Beeren - om de kunstis een bronnenboek voor kunst-exegeten, met ruim zestig harkige teksten vanBeeren, vooraf gegaan door korte inleidingen op middelbare-schoolniveau vande samenstellers.

Wat een deceptie, wat een tegenvaller en wat een gemiste kans. Alseerste serieuze publicatie over Beeren is het geen gelukkig debuut. Eerdereen mislukking. Het is verwonderlijk dat het omvangrijke boek niet meeróver Beeren gaat. Op grond van hetzelfde materiaal en de kennis van naastemedewerkers had een veel betere introductie gemaakt kunnen worden, die meerinzicht had geboden over wie hij was, hoe hij dacht en over het belang vanzijn werkzaamheden.

Want dat is juist nú interessant: het huidige museumklimaat richt zichmeer op bezoekersaantallen, smaaknivellering en geld, dan op eeninhoudelijk, artistiek debat waar Beeren voor stond. Hij mocht dan in deomgang terughoudend zijn geweest, op één terrein was hij dat niet: zijninteresse voor de kunst. Of beter, zijn bezetenheid met de kunst.

Uit de notities, voorwoorden, opstellen, overpeinzingen, artikelen,beschouwingen, inleidingen, lezingen en dagboekaantekeningen wordt namelijkwél duidelijk dat het type directeur à la Beeren niet meer bestaat. Zijnengagement en visie, in artistiek en museaal opzicht, zie je nog maarzelden.

Natuurlijk is dat makkelijk gezegd: de eisen aan het museum zijntegenwoordig hoger of op zijn minst anders dan in de tijd van Beeren. Hetzit de musea niet bepaald mee: minder publiek, minder overheidsgeld, meeroverheidsbemoeienis.

Allemaal waar - en ook weer niet. Het probleem is namelijk dat de museade laatste decennia nauwelijks duidelijk hebben weten te maken waarom zeer zijn. Niet aan het publiek en niet aan de politiek (Winnie Sorgdragerzei vorige week nog dat cultuur, tijdens haar ministerschap, halverwege dejaren negentig, in de ministerraad geen onderwerp van gesprek was). Devraag is of Beeren dat wel gelukt was.

Hij had het probleem wellicht minder vanuit een pragmatisch, en meervanuit een inhoudelijke visie benaderd. Omdat hij wist dat politici geeninteresse in cultuur hebben, en de kunst omwille van politiek haalbaredoelstellingen 'genivelleerd' zou worden. Hij sprak van maatschappelijkrelevante kunst die niet therapeutisch was, omdat 'ieder kunstwerk in zijnzogenaamde artistieke eigenschappen te allen tijde een maatschappelijkebetekenis heeft'.

Waar hoor je zulke ferme woorden nog, van een compromisloze theoreticusén ambachtsman, die zijn woorden bovendien 'illustreerde' met evenuitgesproken tentoonstellingen, waarvan de titels alleen al beelden enherinneringen oproepen: Sonsbeek buiten de perken, Op losse schroeven,U-ABC, De grote utopie, Energieën en Horn of Plenty. Exposities die nieuwelanden in kaart brachten, onverwachte combinaties van disciplines lietenzien en hun tijd ver vooruit waren. Maar exposities die Beeren ook nietbeletten mee te gaan in het 'duivelse plan' om publieksknallers als Godenen Farao's (1979), Het Goud der Thraciërs (1984) en de Meesterwerken uitde Hermitage (1985) naar Boijmans te halen. Wat feitelijk een vreemdekeuze was van een museumman die voornamelijk werk aan kocht van 'moeilijke'en ontoegankelijke kunstenaars als Joseph Beuys, Bruce Nauman, Walter DeMaria en Frank Stella.

Maar Beeren koos nu eenmaal niet de makkelijkste weg. Hij had eenmissie. En die leidde via Malevitsj en Europese kunst van ná de muur, naarhet onbekende Zuid-Amerika en uiteindelijk tot nieuwbouw aan hetMuseumplein (naar een ontwerp van Roberto Venturi, dat uiteindelijk nietdoor ging). Het getuigde al met al van meer visie en lef dan je nu aancosmetisch beleid in Nederland aantreft, met kloosterbrood in derestauratie, dansmariekes op de trap en de zoveelste romantischeschilderijententoonstelling aan de muur.

Beeren was dan geen groot stilist, hij had wel eigenzinnige gedachtenover kunst, kunstenaars, politiek, musea, publiek én geld. Dat laat hetboek gelukkig ook zien. Alleen al in zijn omvang. Een slordige vierhonderdpagina's dik. Het was Beeren ernst.

Meer over