Knikkende knieën en een stem van goud

Geboren: 4 feburari 1924 in Amsterdam...

WELBESCHOUWD duurde zijn roem maar vier jaar. In 1954 begon het. En in 1958 was het weer over. Daarna waren er diverse 'kumbéks', zoals hij het zelf, onnavolgbaar, noemde. Maar eigenlijk mochten ze die naam niet hebben. Het grote publiek kwam niet meer en de paar mensen die wel luisterden, glimlachten wat meewarig. Zijn genre, ooit zo waanzinnig populair, was uit.

Schatrijk werd hij, maar het geld ging er ook met bakken weer uit. Op het eind van zijn leven woonde hij met zijn vriend op een bovenhuisje aan het Amsterdamse Frederik Hendrikplantsoen, volgepropt met nostalgie. En hij werd begraven in het graf, dat hij ooit van zijn eerste grote inkomsten voor zijn moeder had gekocht. Die was toen al vier jaar dood en mocht, met speciale toestemming van de burgemeester, herbegraven worden. 'Ze was nog 't zelfde als toen ze d'r in ging, alleen een beetje taniger, het haar een beetje doffer.'

Sentimenteel was hij, maar Johnny Jordaan maakte van dat begrip iets goudeerlijks. Als hij Opoe, ik ben u zo dankbaar zong, huilde hij tranen met tuiten, elke keer weer, en hij meende dat zeer. Was hij niet, na moeders vroege dood, door zijn grootmoeder grootgebracht? Hij was een simpele ziel en overgevoelig. De Jordaners begrepen dat en ze sloten 'Sjonnie' in hun armen. Maar ze zouden hem ook hard laten vallen.

Johannes Henricus van Musscher werd geboren in de Laurierstraat. Al vroeg zong hij in kroegen met zijn neef Kareltje Verbrugge, later fameus als Willy Alberti, tenore Napolitano. Datzelfde neefje was ook de oorzaak van Johnny's glazen oog. Kareltje gooide hem eens modder in zijn gezicht en daar bleek een scherf in te zitten. Dat ongeluk zou de wederzijdse waardering overigens nooit in de weg staan. Willy Alberti werd al snel vermaard als wonderkind, maar zijn neef moest lang op een doorbraak wachten. Jarenlang zong Jantje van Musscher in café De Kuil. Op het laatst verdiende hij daar zes tientjes in de week.

De doorbraak kwam in 1954 via een zangconcours in Krasnapolsky, dat hij met glans won (de tweede prijs ging naar een werkster uit de Jordaan die later bekendheid zou genieten als Tante Leen). De hits, eerst geschreven door Pi Vèriss en later Harry de Groot, kwamen met de regelmaat van de klok. Na Bij ons in de Jordaan waren het De afgekeurde woning, Geef mij maar Amsterdam, Pierement, Pruimepap ('alle pruime legge te schuime...'), Pikketanussie, de Jordaanwals, de Parel van de Jordaan. In 1962 was er een zoveelste comeback met Daar mag je alleen maar naar kijken, dat nog altijd een kraker is op bruiloften en partijen.

Met de plotselinge, geweldige roem kon Johnny niet echt uit de weg. Later zou hij er hoofdschuddend op terugkijken: 'Als ik op straat liep, scheurden ze de knopen van m'n jas. Volwassenen behandelden me zoals ze de Beatles en de Rolling Stones deden. Autobussen maakten excursies naar mijn huis in Zandvoort. Ik had helemaal geen privéleven meer en kon gewoon niet naar buiten gaan.'

Zandvoort? Hij was de Jordaan ontrouw geworden. Maar het huis in Zandvoort bleek al gauw alleen voor zijn vrouw Totti en dochter Wil bedoeld. Johnny had - en was daar zelf aanvankelijk erg ontdaan over - zijn voorkeur voor de herenliefde ontdekt ('God hep me so gemaakt', zou hij later verzuchten, een uitspraak die alwéér een klassieker werd).

Hij had kortstondig iets hevigs met Wim Sonneveld. Deze in alle opzichten doorgewinterde artiest probeerde de impulsieve Jordaner ook zakelijk enig inzicht bij te brengen. Toen Sonneveld ontdekte dat impresario 'Ome Nijs' van Roon méér aan Johnny verdiende dan de man zelf, probeerde hij daar een rechtszaak van te maken. Maar Johnny zag daar op het laatste moment, al op de stoep bij de advocaat, van af. Sonneveld trok daarop zijn handen letterlijk en figuurlijk van hem af.

Ook de Jordaan liet zijn liefste zoon vallen als een baksteen, toen duidelijk werd dat hij, inmiddels in Beverwijk, was gaan samenwonen met een man. Kort tevoren hadden de Amsterdammers nog een zinderend feest proberen weg te geven bij Johnny's 12-jarig huwelijksfeest, op 26 april 1956. De Volkskrant kopte bij die gelegenheid: 'Triomfantelijke Jordaan-bruiloft eindigde in chaos. Verbouwereerde Johnny verdween stil.' Het Parool van die dag meldde: 'Johnny Jordaan moet voor razende menigte vluchten'.

Het enthousiasme was zo gevaarlijks groot, dat de politie ingreep. Johnny had nog net zijn speciale, zwijmelende loflied op echtgenote Totti kunnen zingen. Zijn 'ommezwaai' sloeg als een bom in bij de overwegend katholieke Jordaners, voor wie een geregeld gezinsleven de allereerste bestaansgrond was. Veel later zou Johnny's dochter de episode helder samenvatten: 'Vader is in de steek gelaten. Zo ging dat in die tijd met homoseksuelen'. Johnny deed een zelfmoordpoging, sprong ergens tussen Haarlem en Amsterdam uit een rijdende auto, maar het bleef bij een hersenschudding en een kapotte knie.

Rond diezelfde tijd had de VARA besloten hem te boycotten. Johnny's liedjes hadden 'cultureel' minder dan niets te betekenen en waren voor de verheffing des volks absoluut ongeschikt. Het was, kortom, ordinair, de VARA zond ze niet meer uit.

Maar de arbeidersomroep stond tamelijk alleen. Koningin Juliana nodigde Johnny uit op Paleis Soestdijk, naar het schijnt omdat ze wel eens wilde weten van wíe de prinsessen toch steeds die aardige deuntjes floten. De zanger verscheen met knikkende knieën, maar het kopje thee en de 'gewoonheid' van Hare Majesteit joegen zijn zenuwen op slag op de vlucht. Hij werd haar onvoorwaardelijke fan, ook al had er, zou hij observeren, nog geen koekje afgekund.

Met de zenuwen had hij altijd al problemen gehad. Een gezond gestel bezat hij niet. Al op zijn 29ste had hij, bij de dood van zijn moeder, het hersenbloedinkje gehad, dat hem zijn merkwaardig scheve gezicht opleverde. Er zouden meer beroertes en een flink aantal hartinfarcten volgen ('en suiker, van de senuwe..'), totdat hij eindigde in een rolstoel, met een geamputeerd been.

De belastingdienst vond hem ook, begin jaren zestig, en eiste de achterstallige ton op. Johnny week uit naar Antwerpen en begon - ook Vlamingen droegen de volkszanger op handen - een café aan de Oude Koornmarkt. Maar daar kwijnde hij weg. Hij hoefde niet per se aan de voet te wonen, maar de Westertoren moest wel in de buurt blijven. Zijn oude vriendin Tante Leen, inmiddels zelf een begrip, haalde platenfirma Bovema over het restant belastingschuld over te nemen. Johnny Jordaan kon naar Nederland terug.

Kranten schreven om strijd dat er alweer een comeback dreigde. Johnny zelf repte, wat hij vaker deed, van een 'nieuw leven'. Hij was 'gelukkiger dan ooit', maar het had iets van schreeuwen tegen de wind in. Naar Amsterdam wilde hij niet terug. Tegen de Volkskrant zei hij in januari 1962: 'Dát nooit meer. Nee, kijk, ik ben Jordaner en dat blijf ik, zónder kapsones... 't Is m'n broodje, over de Jordaan zingen, maar nee, die mensen hebben me te veel aangedaan, écht waar, ze roddelen. En dan... de échte Jordaners zijn er niet meer. Ja, me grootmoeder en wat andere ouwe mensjes. Maar één keer in de week ga ik er heen, naar grootmoeder, die is vijfentachtig... daar ben ik goed voor, die is altijd goed voor mij geweest en nóg. Ik vind 't héérlijk..., maar ik vind 't ook héérlijk als ik wég ben...'

Echt goed zou het nooit meer komen met de Jordaan. Het werden een huis in Den Haag en een 'tent' in Rotterdam, waarheen de echte liefhebbers nog altijd de weg vonden. Af en toe maakte hij een plaat.

Z'n zoveelste come back was in 1970 bij Beppie Nooys befaamde Amsterdams Volkstoneel in De Jantjes. 'De Mop' was een karakter dat hem op het lijf geschreven was. Maar hij maakte het seizoen niet vol. In Apeldoorn kreeg hij zijn zoveelste hersenbloeding, ditmaal op het toneel. Op de intensive care volgde een serie hartaanvallen. Het maakte hem voor honderd procent invalide.

Eind 1972 kreeg hij zijn afscheidsavond op de televisie (nota bene bij de VARA), maar als een feestavond ondervond hij het niet. Later zou hij zeggen: 'Voor mij was het alsof ik naar mijn begrafenis ging. Het is nu definitief afgelopen. Voor altijd. Ik voel wel dat het echt niet meer kan, optreden. Ik ben een ziek mens, en daar moet je aan wennen.'

Het einde, begin 1989, was diep triest. Hij was op het laatst blind, verlamd. Nog eenmaal klaterde het applaus. Aan zijn graf was de finale: 'En wilt u dan nu het laatste applaus geven aan Johnny Jordaan?'

Meer over