Kleine spion

Josef Kanon was jarenlang uitgever bij Houghton Mifflin, tot hij na onenigheid over de te nemen koers ontslag nam. Hij zette zich aan het schrijven en bewees in 1997 met Los Alamos zijn vakmanschap....

Met The Prodigal Spy (Little, Brown & Co, import Van Ditmar; F 39,95) toont Kanon aan geen eendagsvlieg te zijn. Opnieuw duikt hij in het verleden. Een Senaatscommissie beschuldigt begin jaren vijftig de Amerikaanse staatssecretaris Walter Kotlar van spionage voor de Russen. De man ontkent uiteraard, maar is op een dag plotseling verdwenen. Niemand weet waar hij uithangt, totdat hij drie jaar later in Moskou opduikt en daar een perconferentie geeft.

De geschiedenis wordt beschreven vanuit het perspectief van zijn zoontje Nick, wiens leven instort als zijn vader hem en zijn moeder verlaat. Het zijn prachtige, beklemmende eerste hoofdstukken, een proeve van bekwaamheid van Kanon, die een stijl hanteert waarvoor LeCarré zich niet zou hoeven te schamen.

Nick vergeet zijn vader, zijn moeder hertrouwt en hij krijgt een nieuwe achternaam. In 1969 wordt hij echter in Londen benaderd door een vrouw die een boodschap van zijn vader heeft. De oude Kotlar wil zijn zoon zien. Hij woont in Tsjechoslowakije, is ernstig ziek en heeft hulp nodig.

Nick reist naar Praag, dat een jaar eerder door de Russen (opnieuw) is bezet. Zijn vader wil terug naar de Verenigde Staten; hij heeft informatie over een 'mol', die veel belangrijker voor de Russen was dan hijzelf als kleine spion. Al die jaren is de man in de VS in de hoogste regeringskringen actief gebleven.

Wie die 'mol' is ten tijde van president Nixon, wordt uiteraard pas in de laatste hoofdstukken duidelijk. Dan heeft Kanon al bewezen dat hij met The Prodigal Spy opnieuw een juweeltje heeft afgeleverd.

Meer over