Kleine ethiek (2)

In een tempel van hoge cultuur bezocht ik een muziekuitvoering die werd gesponsord door een bedrijf dat zich met man en macht inzet voor een betere darmflora....

Marjolein Februari

Ach, hoe anders was het vooruitzicht geweest op deze zonovergoten dag, toen ik vol hooggestemde verwachtingen het concertgebouw naderde. Had ik me op datzelfde moment het verhaal van Couperus herinnerd over een bloedige moord in het operahuis - een verhaal dat me pas een half uur later te binnen zou schieten - dan had ik de beginzinnen tevreden en zacht voor me uit gepreveld: 'Tevreden en zacht, stil blijmoedig, als zijn aard was, trots nerveuze aanleg en periodieke buien van melancholie, wandelde hij kalm - hij had de tijd - naar het Operagebouw.' Kijk, dit had ik zelf niet beter kunnen beschrijven. Want die nerveuze aanleg, ja, die heb ik ook, en zacht blijmoedig, dat ben ik eveneens, ten voeten uit.

Dat ik later tot aan de grens van de moordlust zou komen, dat was dus niet mijn gebruikelijke uitgaansgedrag. Ik bezocht het concertgebouw juist om er 'zalig doortrild' te worden - nee, kalm, het zijn Couperus' woorden - en om er door 'zuiver genot' geheel 'in evenwicht' te worden gebracht. En inderdaad, op het podium, daar waar de violiste de baas was, vertelde de muziek over de grote vraagstukken van het leven en de gevoelvolle antwoorden duwden ons met zachte aandrang in de richting van het goede: vrede en liefde voor de hele mensheid.

Intussen zat ik in de zaal naast diezelfde mensheid, een knorrend, snurkend, snuivend, rochelend en snotterend monster, een hersenloos gedrocht dat bang was het einde van de uitvoering niet te halen als het nu, precies op het moment dat de viool opklom tot ijle hoogten en langzaam verstilde, niet subiet een zakje hoestbonbons open zou scheuren. En toen in de twaalfde minuut mijn buren waren uitgekletst, ze elkaar het programma al ontelbare malen hadden voorgelezen en de verveling onherroepelijk toesloeg, toen keek de man naast me voor de tweehonderdentachtigste keer op zijn horloge - en dat moet het moment zijn geweest waarop in mijn borst het ontzaglijke verlangen oprees een emmer popcorn over zijn hoofd leeg te kiepen.

Ik verzeker u, het mag een wonder heten dat er jaarlijks niet meer slachtoffers vallen in onze concertgebouwen. De vrome aandacht waarover Louis Couperus schreef - 'nauwelijks geluid en beweging, nauwelijks een kuch' - die vrome aandacht is in de laatste decennia verdwenen. De uitvoeringspraktijk is geperfectioneerd, de musici zijn langzamerhand in staat tot onmenselijke prestaties, maar het publiek is daarbij ver achtergebleven. En dat is meteen ook de reden waarom onze politici steeds vaker de aanval zullen inzetten op de hoge cultuur: ze weten dat het publiek niet langer kan stilzitten en dat het niet langer anderhalf uur kan zwijgen.

Toch lees je weinig over moord in het Concertgebouw. Geen getergde bezoekers die met pinda's gaan gooien, of erger nog, hun toneelkijkers de ruimte in slingeren zodat elders in de zaal - het zijn Couperus' woorden - een noodlottig getroffene het leven uit brult, 'terwijl de hersens spatten'. Blijkbaar is er nog een rudimentaire vorm van beschaving achtergebleven in de culturele elite. Een laatste restje beschaving dat zowaar ook mij ditmaal in toom hield, want na lang nadenken besloot ik die dag niet met popcorn te gooien. Echt niet? Nee, echt niet. Hebt u er soms iets over gelezen in de kranten?

Nu weet u alles. En u begrijpt nu ook waarom mijn korte bezoek aan de wereld van de klassieke muziek me uiteindelijk op het spoor zette van de etiquette. Ik ging naar huis, en naar bed, en de volgende ochtend ging ik, weer een beetje gekalmeerd, op zoek naar regels voor goed gedrag. In mijn archief stuitte ik al gauw op een artikel over goed gedrag van de filosoof Berel Lang. Het heette 'Moral Clichés'; ik had het onlangs uit het tijdschrift Teaching Philosophy gescheurd en vooral bewaard vanwege de nuchtere ondertitel: 'How Not to Teach Ethics'.

In dit kleine artikel geen grote morele vragen over welvaartsverdeling of vrede. Geen analyses van maatschappelijke principes of modellen voor een betere samenleving. Het artikeltje van Berel Lang gaf eigenlijk alleen maar één simpele les voor het dagelijks leven. En die simpele les kwam erop neer dat de uitroep 'nobody is perfect' geen overtuigend excuus is, als we ons een keer slecht hebben gedragen. Want niemand is volmaakt, het is waar, maar wat heeft dat nou te maken met ons slechte gedrag? 'Niemand is vomaakt'; 'ik doe mijn best'; 'iedereen doet het'; 'zo ben ik opgevoed': het zijn allemaal morele clichés, volgens Lang, en wel clichés die niet veel te maken hebben met de manier waarop we ons eigen gedrag moeten sturen en wegen.

Zacht blijmoedig als ik ben, voelde ik me opgelucht dat ik me had beheerst tijdens het concert, want welk excuus had ik anders na afloop gehad? Maar nauwelijks had ik dit bedacht of ik besefte al dat de anderen voor hun slechte gedrag dus ook geen enkel excuus hadden gehad, en meteen hoorde ik in mijn herinnering weer het gebrul van de opstijgende darmen, het blaffen, het proesten, het spuwen van de vertegenwoordigers der culturele elite, hun aamborstigheid en geeuwzucht, ik zag ze draaien en kiepen op hun stoel, en ik schreef: vanaf nu is er geen enkel pardon meer voor gerochel tijdens Mendelssohn. Vanaf nu, schreef ik, wordt de toestand van uw darmflora in onze concertzalen niet langer geaccepteerd als excuus. Vanaf nu, schreef ik, is een slechte darmflora niet meer dan een moreel cliché.

Meer over