Klappen van de occulte molenwiek De kwaliteit van zweverige ideeën is in Frankfurt amper aan de orde

Schoot nooit eens iemand in de lach? Begon niemand niet af en toe tegen zijn voorhoofd te tikken? Niets wijst erop dat in de beginjaren van deze eeuw de door het occultisme aangeraakte cultuurdrager werd tegengesproken....

HET WERELDBEELD van de schilder Franz Marc was van een even krakkemikkige als verpletterende overzichtelijkheid. In het morseschrift van de telegrafist zag hij een moderne variant van klopgeesten en klopsignalen. De draadloze telefonie leek hem een manifest argument voor het bestaan van telepathische krachten. En een gewone grammofoonplaat moet een allure hebben gehad welke die van de wenende Madonna van Brunssum verre overtrof: hij meende er het 'experimentele bewijs' in te zien dat de doden rechtstreeks met de levenden in contact kunnen treden.

Voor het wetenschappelijke wereldbeeld, voor de wiskunde, voor de logica of voor het bestaan van natuurwetten gaf Marc ondertussen geen stuiver. Wat in getallen kon worden uitgedrukt had geen werkelijke betekenis. In een voordracht uit 1914 zei hij letterlijk:

'Om greep te krijgen op de krachten en zaken van deze wereld bedienen wij ons van oudsher met een steeds toenemende behendigheid van een ongelooflijk gebrekkig systeem, namelijk onze twee- en driedimensionale wiskunde, die gebaseerd is op een door zogenoemde ''getallen'' gemaskeerde schijnredenering. Tweemaal twee is in werkelijkheid nooit gelijk aan vier. Als we van vier appels er twee wegdoen, dan blijven er niet twee, maar vier appels over, want er is nergens een plaats waar we die twee appels zo kunnen wegleggen dat ze er niet meer zijn.'

En in een voetnoot, die door Atte Jongstra lijkt te zijn geschreven, voegde hij daar nog aan toe:

'Al uit onze renteberekeningen blijkt dat wij een rekenfout moeten corrigeren; deze rente is immers niets anders dan een spottende correctie op ons getallenstelsel, dat op een volledig gefingeerde conventie berust.'

Dergelijke komische nummers staan niet op zichzelf. De staat van geestelijke opwinding waarin Franz Marc zich aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog bevond, is onder kunstenaars eerder de norm dan de uitzondering geweest, en Marc is hooguit een vertegenwoordiger van een kleine minderheid voor wie het kosmische niet automatisch in de meest zalvende en ernstige termen moest worden benaderd.

Die ernst is immers een van de meest onbegrijpelijke aspecten van de kunstopvattingen die zich omstreeks de eeuwwisseling van zo enorm veel kunstenaars meester heeft gemaakt. Schoot nooit eens iemand in de lach? Was er niemand die niet eens af en toe tegen zijn voorhoofd begon te tikken, of die riep dat het allemaal ook wel wat minder duister, minder hermetisch en met een minder gelijkhebberig aplomb kon worden geformuleerd? Ik zou bidden dat zoiets gebeurd zou zijn, maar niets wijst erop dat al die door de diverse vormen van occultisme aangeraakte cultuurdragers zijn tegengesproken. Wat Rudolf Carnap genoemd heeft die Überwindung der Metaphysik durch die logische Analyse der Sprache (nog altijd een van de meest heilzame standpunten die de twintigste eeuw heeft opgeleverd), het kwam allemaal veel later, en vaak was het ook nog geadresseerd aan dovemansoren.

'Nicht wie die Welt ist, ist das Mystische, sondern dass sie ist', schreef Wittgenstein in de Tractatus, en het revolutionaire van die mededeling wordt nog eens extra duidelijk als men ziet hoeveel mystiek er was geïnvesteerd in het verklaren van de wereld onder de occulte belichting die grote delen van Europa in duisternis had gehuld.

Twee dingen vallen aan die duisternis op. Ten eerste dat zij zo algemeen is, zo wijdverbreid. Ten tweede dat zij zich zo weinig leende voor een eenvormige interpretatie. De kunstenaars die op enigerlei manier een klap van een occulte molenwiek hadden gekregen, en die hun inspiratie betrokken uit de theosofische of antroposofische denkwereld, werden vooral theosofen of antroposofen op hun eigen manier. Of ze werden spiritisten, magnetiseurs, mystificateurs of nog weer wat anders. Maar klaarblijkelijk waren hun ideeën of idealen ook weer zo weinig vastomlijnd dat er niet een stijl, een beweging, een -isme uit kon ontstaan. Daarmee schuilt, om Wittgenstein te parafraseren, het mystische van al die mystici vooral in dat, niet in hoe zij zijn.

Om daar greep op te krijgen, zo moeten de samenstellers van de tentoonstelling Okkultismus und Avantgarde in Frankfurt hebben gedacht, moet er om te beginnen een zo groot en compleet mogelijk overzicht bij elkaar worden gehaald. Het is de vraag of dat helemaal is gelukt. Met 787 objecten en een catalogus ter dikte van het Postcodeboek, met kunstenaars uit zowat geheel Europa en een enkeling uit de Verenigde Staten, en met een zelfs voor Duitse begrippen enigszins uit de hand gelopen wetenschappelijke bewaking, krijgt het resultaat bijna terroristische proporties, die nog worden versterkt door de sacrale aankleding die de Schirn Kunsthalle voor deze gelegenheid heeft laten maken.

Onbedoeld is daarmee wel de kwantiteit, de scope, van die zweverige ideeën aangetoond, maar wordt over hun kwaliteit en onderscheidende betekenis veel minder beweerd. Spiritisme, euritmische dans, kubistische architectuur, het fotodynamismo van de Italiaanse futuristen worden ex aequo behandeld met de janboerenfluitjes-interpretaties van de elektromagnetische lichttheorie van Maxwell, de hogere werelden van Rudolf Steiner en de aan Franz Anton Mesmer ontleende inzichten omtrent gemagnetiseerde slaapwandelaars. Het mag waar zijn dat voor elk van die categorieën wel een kunstenaar of een groep kunstenaars door het vuur is gegaan, maar over de samenhang van al die beginselverklaringen blijkt niet veel meer dan dat het kennelijk 'in de lucht' hing. Over de artistieke verbeeldingskracht die door het hogere werd gemobiliseerd, over de vrijheid die individuele kunstenaars voor zichzelf bepaalden, en over de mate waarin de expressie van al die abstracte werelden wel eens een buitengewoon interessant probleem zou kunnen zijn geweest - daarover wordt met geen woord gesproken. Er wordt stilzwijgend uitgegaan van de gedachte dat wie eenmaal door het hogere was bezocht, vrijwel onmiddellijk de daartoe geëigende uitdrukkingsvorm in de schoot kreeg geworpen.

Daarmee hebben de samenstellers van Okkultismus und Avantgarde zich een geweldige kans laten ontgaan. Door de opkomst van de abstracte kunst uitsluitend te behandelen in het licht van de vraag wat die kunst, ondanks haar abstracte karakter, zou kunnen betekenen, door haar te beschouwen als afbeelding, blijven allerlei technische, formele en compositorische kwesties onaangeroerd. De toevallige vraag of iemand ontvankelijk was voor wat zich aan de alledaagse waarneming onttrekt, wordt daardoor belangrijker dan het feit dat zo iemand nog steeds een keuze moet maken tussen monochrome schilderijen, cirkels, vierkanten, verwrongen gezichten, rotskusten, bewogen foto's of de toorn Gods (een onderwerp dat Rudolf Steiner zelf een aantal keren heeft uitgebeeld). Het begrip talent wordt nergens gebruikt.

Dat zou nog te begrijpen zijn indien de samenstellers van de expositie zich nadrukkelijk van elk waardeoordeel zouden hebben onthouden en hun keuze op louter objectieve gronden hadden bepaald. Maar dat hebben ze niet. In hun ijver niemand over het hoofd te zien, hebben ze nogal wat kunstenaars geselecteerd van wie vaststaat dat ze van het hogere geen brood lustten, waardoor deze nu plotseling medeplichtig worden gemaakt aan het grote occultistische programma dat de tentoonstelling met alle geweld wil aantonen. Marcel Duchamp is daarvan wel het meest markante voorbeeld, en dat juist diens Fietswiel uit 1913 wordt geëxposeerd doet eerder denken aan een bezweringsritueel dan aan een zinvolle kunsthistorische exercitie.

Het is dezelfde ijver die ertoe geleid heeft dat allerlei malloten wier kunsthistorisch belang nihil is, zijn uitgekozen om het thema kracht bij te zetten. Dat geldt met name voor een paar fotografen die zich hebben uitgeleefd in het documenteren van mediamieke experimenten. Het geldt voor het Rythme coloré van de caleidoscopist Léopold Sauvage en voor de onbedaarlijk onbenullige astrale voorstellingen van Hilma af Klint, de Zweedse theosofe die bij dit soort gelegenheden steevast moet opdraven. En het geldt voor iemand als de Amerikaanse fotograaf Edward Steichen, van wie je zonder meer kunt aannemen dat zijn belangstelling voor het hogere vooral werd bepaald door de betrekkelijk ordinaire behoefte zelf het licht ook wel eens te willen zien.

Dank zij de indeling van de expositie (foto's en documenten bevinden zich in andere zalen dan de schilderijen; schilderijen zijn gegroepeerd per kunstenaar) is het mogelijk het volgende gedachtenexperiment uit te voeren. Stel dat iemand die redelijk op de hoogte is van de vroeg-twintigste-eeuwse kunst, de Schirn Kunsthalle is binnengewandeld, maar dit instituut niet kent en bijvoorbeeld veronderstelt een vaste collectie tegen te zullen komen. Stel vervolgens dat hij toevallig de banieren waarop dat Okkultismus staat aangekondigd, over het hoofd heeft gezien en dat hij ook geen blik heeft geworpen op de catalogus. Is het mogelijk, zo luidt dan de vraag, dat die bezoeker - bijvoorbeeld een Amerikaan die voor het eerst in Europa komt - het thema van de expositie op eigen kracht ontdekt?

Ik ben daar niet zo zeker van. Vermoedelijk zou hij in de eerste plaats getroffen worden door de uitzonderlijke rijkdom van en variatie in wat hij aantreft. Hij zou hier en daar verwonderd zijn over de aanwezigheid van enkele tweede- of derderangs kunstenaars, maar misschien denken dat het hier bruiklenen betrof van gerespecteerde sponsors of een eigenaardigheid van een conservator. De malle spiritistische foto's zou hij aanzien voor een tijdelijke expositie, de architectuurtekeningen voor een tijdloos zomeronderwerp. Maar voor het overige bleef hij gebiologeerd staan kijken naar het uitzonderlijke niveau van de Russische, de Italiaanse, de Nederlandse en Duitse avantgarde-kunstenaars van wie hij niet wist dat ze in Frankfurt werden bewaard. Hij zou Duchamp herkennen, Kupka, Mondriaan, Van Doesburg, Malevitsj, Larionov, Boccioni, Franz Marc. En: hij zou geen verband leggen tussen de zaal met het werk van Rudolf Steiner en het overige dat hij had gezien.

WAT HIJ ZICH misschien zou afvragen, is waarom de collectie geen Picasso bevat. Wel een paar Delaunays, maar geen Braque. Wel vier doeken van Picabia, maar niets van Leger of Matisse. Wel Marc, maar niet Nolde of Kirchner of Haeckel.

Pas als hij ernaar zou vragen, of de catalogus zou opslaan, zou hij getroffen worden door de absurditeit van het gekozen selectieprincipe. Hij zou de uitspraken van Marc tegenkomen, die aan het begin van dit stuk zijn geciteerd. Hij zou lezen dat Francis Picabia ('het leven is van rubber') zich inderdaad een blauwe maandag heeft bemoeid met een hogere, 'muzikale' compositiestructuur. En nee, zou hij denken: van Picasso, Braque, Matisse en al die anderen zijn geen uitspraken over telepathische grammofoonplaten bekend; die schilders hadden tenslotte ook nog wel wat anders aan hun hoofd.

In de jaren zestig ontstond in de taalkunde een richting die zich bezighield met zogenoemde presupposities, dat wil zeggen: de vooronderstellingen die in een bepaalde uitspraak liggen opgesloten, bijvoorbeeld in een vraagzin. When did you stop beating your wife?, was het cruciale voorbeeld dat steeds in al die artikelen werd aangehaald.

De tentoonstelling in Frankfurt is gebaseerd op hetzelfde principe, op de veronderstelling namelijk dat het veronderstellen van een occultistische aanvechting al voldoende is om iemand definitief tot een bepaalde categorie kunstenaars te mogen rekenen. In de politiek komt dat in de buurt van een Berufsverbot. In de kunstgeschiedenis is het een hopeloos criterium.

Schirn Kunsthalle, Frankfurt am Main: Okkultismus und Avantgarde - Von Munch bis Mondrian, 1900-1915.

Tot en met 19 augustus. Catalogus, DM 75,-.

Meer over