Klanken wandelen door de mond

Regionale verschillen in uitspraak hebben te maken met de stand van de mondholte. Misschien verklaart dat ook wel de veranderingen door de eeuwen heen....

Vlamingen zeggen over het algemeen 'boot' als ze boot bedoelen. De meeste Nederlanders niet. Die zeggen 'bowt', of 'bawt' en in delen van Zuid-Holland zelfs 'beuwt'. Dit soort verschillen in de uitspraak van klinkers in het Nederlandse taalgebied is nooit gericht gemeten.

Een onderzoeksgroep van Nederlandse en Vlaamse taalkundigen en fonetici is nu bezig ze in spectogrammen vast te leggen. Op 15 januari presenteerde de Nijmeegse hoogleraar prof. dr. Roelant van Hout de voorlopige resultaten van dit onderzoek aan het VNC, het Vlaams-Nederlands Comité voor Nederlandse taal en cultuur. Dialectoloog en sociolinguïst Van Hout leidt het Nederlandse team.

Elke klinker heeft in de mond zijn eigen articulatieplaats, legt Van Hout uit.

Zo zit de 'oe' achterin, de mond is bijna gesloten, de tong wordt omhoog gebracht. De 'ie' wordt voorin gemaakt, ook met bijna gesloten mond. De 'aa' is daarentegen een 'open' klank, wordt onderin de mond gemaakt, ongeveer in het midden.

Deze verdeling van klinker-articulatieplaatsen in achterin, voorin en onderin de mondholte noemen linguïsten de vocaaldriehoek. Zover kunnen ze het af zonder apparatuur, aldus Van Hout.

De vraag die de onderzoekers nu stellen, is wat exact de verschillen zijn in het manipuleren van die mondholte, waardoor regionale varianten van dezelfde klinkers ontstaan.

De mondholte in al haar standen fungeert als een soort filter voor de geluidstrillingen die de stembanden produceren, legt hij uit. Dat filter veroorzaakt meetbare pieken in het geluidssignaal. Simpel gesteld: in het Nederlands zijn de eerste twee van die pieken bepalend voor het onderscheid tussen de klinkers. Die variërende pieken in het geluidssignaal zijn in spectogrammen vast te leggen. Zo kunnen de regionale verschillen in de uitspraak van klinkers zichtbaar worden gemaakt.

De onderzoekers registreerden de spraak van in totaal 160 leraren Nederlands aan middelbare scholen in vier Nederlandse en vier Vlaamse regio's. Leraren uit Groningen, Gelderland, Limburg en de Randstad werkten mee. In België deden de onderzoekers alle vier de Vlaamse provincies aan. Leraren Nederlands worden verondersteld ter plaatse ongeveer de standaardtaal te spreken, in plaats van zwaar dialect.

Tot nu toe laten de metingen duidelijke verschillen zien voor de uitspraak van een aantal klinkers. Is de Groningse uitspraak van medeklinkers berucht, voor wat betreft de klinkers wijkt Limburg het sterkst af van de rest van Nederland. Limburgse klinkers lijken meer op de Vlaamse dan op de Nederlandse.

Vooral de korte 'e' in een woord als 'bel' is opvallend. 'Bel' klinkt in Limburg bijna als 'bal', terwijl Randstedelingen van die 'e' en 'i' maken, en dus ongeveer 'bil' zeggen. Dat betekent dat Limburgers hun mondholte ruimer maken om 'bel' te zeggen, terwijl mensen in de Randstad hem juist bijna sluiten, concludeert Van Hout. Dezelfde klinker wordt dus op een verschillende manieren in de mondholte gevormd.

Met dit soort kennis wil Van Hout toewerken naar een verklaring voor de grote uitspraak-verschuivingen op lange termijn. Hij neemt het woord 'huis' als voorbeeld. Eeuwen geleden werd dat uitgesproken als 'hoes', achterin de mond, vervolgens als 'huus', voorin. En nu is die klank dus naar beneden gezakt tot 'huis'.

Wanneer de ene klank verandert van articulatieplaats komt daar vaak een sneeuwbal van verschuivingen van andere klanken achteraan.

'Het lijkt wel alsof sommige klanken ''rondwandelen'' in de mondholte', stelt Van Hout verbaasd vast. En hij kan niet verklaren waarom ze dat doen. Door onderzoek naar de Nederlandse klinkers, hoopt hij een stapje dichter te komen bij de beantwoording van die vraag.

Meer over