Klagen helpt

Jaren geleden had ik een buurvrouw die ontzettend goed kon klagen. Ze deed het dan ook voortdurend. Over de buurt (waar niets aan mankeerde), over haar man (die werkelijk de leukste man in de wijde omtrek was), over haar hond (die niet blafte en niet op straat poepte), over haar...

Aanvankelijk had ik er behoorlijk wat moeite mee, want ik ben opgevoedmet het idee dat klagen nergens toe leidt en dat je beter de handen uit demouwen kunt steken. Met de kippen op stok en eruit als de haan kraait, hetzonnetje in huis - dat werk. Ik meed dus de buurvrouw, om niet aangestokente raken door haar klaagvirus.

Na een tijd begon het me op te vallen dat ze ondanks dat voortdurendegezeik wél altijd vrolijk was, goedlachs, vriendelijk. Weer wat later zagik dat er een rechtstreeks verband was: ze was zo vrolijk, omdat ze zoveelklachten had - heel curieus. Ik begon haar goed in de gaten te houden. Zijwist iets dat ik niet wist, dat was duidelijk.

De volgende ontdekking die ik deed was deze: de buurvrouw was nooitalleen; zij omringde zich met een voortdurende stoet vrienden, vriendinnen,broers en zusters. Als het mooi weer was, zaten ze met z'n allen in de tuinen kon ik ze vanachter de schutting goed afluisteren.

Wat bleek?

Ze klaagden allemaal dat het een aard had, om te beginnen over de tuinwaarin ze zaten, want daar viel te weinig zon in, en hij was te klein ende schutting die hem scheidde van de mijne was veel te hoog. Verder gingende klachten over de kinderen, de buurt, huisdieren, werkgevers, kennissen,buren, de politiek, de prijzen in de supermarkt, televisieprogramma's - erkwam werkelijk geen einde aan, maar toch werd er veel gelachen en menigefles ontkurkt.

Zelf werd ik helemaal niet vrolijk van al dat gezeik, gejeremieer,gejammer en gezeur aan de andere kant van de schutting, maar dat lag dusaan mij: ik zag het leven veel te zonnig in. Beter was het te somberen,kennelijk viel het dan allemaal mee.

Goed.

Toen ging ik verhuizen. Onmiddellijk begon de buurvrouw daarover teklagen; nieuwe buren, dat kon niets worden - het zouden wel halvegaren zijndie gingen verbouwen, waardoor haar huis scheef kwam te staan, of jongensmet grote stereotorens, waardoor ze geen leven meer had. Terwijl ik mevoorbereidde op het afscheid van mijn oude buurt, begon ik stilletjes zelfook te klagen - het leek me dat dat in mijn nieuwe buurt goed van pas konkomen. Ik belde af en toe een vriend op en zeurde en jammerde tot ik eendroge mond had. Over het weer, vrouwen, kinderen, de krant waar nooit ietsin stond, de files en nog een keer het weer, want dat was en is één vanmijn favoriete onderwerpen.

Heel fascinerend was dat iedereen mee ging klagen, zelfs de meestzonnige naturen; alsof we met z'n allen door klachten aan elkaarvastgeketend waren en door een stoffige woestijn sloften, wat ik zeg:klagen schept een band. Het gaat nergens heen, maar je bent in ieder gevalsamen. Wie klaagt, is nooit alleen, wie klaagt heeft altijd lotgenoten. Eenwonderlijk fenomeen, inderdaad.

Meer over