Klaar voor Europa

Op 1 mei 2004 worden Estland, Letland en Litouwen lid van de Europese Unie en zullen ze zich officieel deelgenoot weten van de westerse cultuur....

Door Michaël Zeeman

'Ik luisterde naar hem zoals een hoer naar haar klant luistert', schrijft de Estlandse auteur Emil Tode in zijn roman Piirkiik, 'In het grensgebied', over de gesprekken die hij of zijn alter ego met zijn nieuwe vriend, een Franse intellectueel, voert. 'Heel Oost-Europa is hoer geworden. Beginnend bij ministers en hoogleraren tot op de laatste krantenjongen is iedereen steeds bereid mooie verhalen over democratie en mensenrechten en om het even wat aan te horen, toe maar alstublieft, zoals het de klant bevalt. De hoofdzaak is dat hij betaalt.'

De verteller uit Todes roman is, zodra dat mogelijk was, naar West-Europa getrokken, naar Parijs, het Mekka van de Europese cultuur, waar hij zijn hele leven al over gehoord had, in Tallinn en Tartu, maar waar noch hij, noch zijn leermeesters of generatiegenoten naartoe konden reizen zonder de meest vernederende staaltjes van prostitutie ten beste te geven. En zelfs dan was een uitreisvisum in combinatie met een reisbeurs een grote uitzondering. Overal wachtte het prikkeldraad van beletsels, materieel en formeel. Dat hij zich voor de klassieke Franse poëzie interesseerde en die in het Estisch, zijn moedertaal, probeerde te vertalen, deed daar niets aan af, nee, het maakte zo'n reis er eerder onhaalbaarder op. Bourgeois- poëzie is, naar bekend, altijd een bedreiging geweest voor de staatsveiligheid.

En toen was dat ineens allemaal afgelopen: de Muur, die het symbool was geworden van de Europese deling, werd met blote handen opengebroken en vervolgens afgebroken, het IJzeren Gordijn, dat de feitelijke deling had gemarkeerd, zeeg ineen, not with a bang, but with a whimper. Met het feitelijke verkeer van mensen en goederen kwam van de ene op de andere dag, ook naar en vanuit de Baltische staten, het immateriële vrije verkeer, van gedachten, ideeën en opvattingen, op gang. Tode en zijn romanpersonage, ze konden naar Parijs, ze konden hun hart gaan ophalen aan alles wat ze slechts in flauwe afschaduwingen en van horen zeggen kenden. 'Als echte Oost-Europeaan luisterde ik naar zijn schokkende inzichten over de vrijheid', zegt de verteller in Todes roman, over de verhandelingen van zijn Franse vriend 'over Foucault en Derrida'.

Het moet een van de meest dramatische veranderingen zijn geweest in het leven van de Oost-Europese schrijvers en intellectuelen, ja, in het leven van de uitgevers en de boekhandelaren uit die landen, de overgang van de canonieke en goedgekeurde Sovjet-literatuur naar de courante westerse modes. Hun leven lang tot Marx en Lenin en trawanten veroordeeld geweest - en ineens waren daar Michel Foucault, Jacques Derrida en Slavoj Zizek en de hele structuralistische, poststructuralistische en, ergste van al, postmodernistische santenkraam. Van de regen in de drup, ben je geneigd te denken bij een bezoek aan de boekhandels van Tallinn, Riga en Vilnius, oog in oog met de vertaalde uitgaven van modieuze westerse boeken mismoedig delibererend over wat akeliger is: moeten dwalen in het marxistische abracadabra of in dat van de al even verward betogende postmodernisten.

Alleen al de fysieke transformatie van die boekhandels is een belevenis. Wie zich niet meer herinnert hoe het was of het niet gekend heeft, moet afreizen naar de tweede steden of de kleine provinciesteden van de Baltische landen, Tartu in Estland, Daugavpils in Letland of Kaunas in Litouwen, om een blik in dat recente verleden te kunnen werpen. Een boekhandel is daar nog een toonbank met een bejaarde en bebrilde bibliothecaresse erachter, steevast ontoeschietelijk, die op uitdrukkelijk verzoek bereid is een boek van een van de schappen achter de toonbank of uit een magazijn achter de winkel te halen.

De boekenkoper is geen snuffelaar die zich door om het even welk omslag of welke auteursfoto dan ook laat verleiden, maar iemand die een doelgerichte actie uitvoert: dat ene boek, thuis besloten, en beslist geen impulsieve aankopen. De boekhandel beheert een voorraad, maar biedt geen mogelijkheden. Toen ik afgelopen zomer in Rezekne, Letland, in zo'n boekhandel een Lets-Engels woordenboek wilde aanschaffen, moest ik vooraf zelfs opgeven welk woordenboek ik wou hebben, want aanpakken, kijken en vergelijken was uit den boze.

Dat is in de drie hoofdsteden van de Baltische staten inmiddels wel anders. Daar heeft de omslag van Oost naar West plaatsgevonden en lijkt het aanbod evenzeer als de presentatie op die in West-Europa. De nieuwe Grass, de nieuwe Roth, de nieuwe Rushdie e tutti quanti; het wachten is nog op de nieuwe Mulisch. Daarnaast zijn er de lugubere schappen met de hipste computerprogramma's, de klefste zelfhulpboeken en de meest modieuze sociaal-wetenschappelijke en filosofische boeken.

Het Balticum heeft de sprong gemaakt, ook in cultureel opzicht, en staat helemaal klaar voor Europa, klant en pooier tegelijk - 'als ze maar betalen'.

Het is niet alleen goed te zien aan de boekhandels, maar ook aan de manifestaties van buitenlandse cultuurpolitiek van de gote Europese landen ter plaatse. De British Council is inmiddels overal present, met bibliotheken en talenscholen, het Goethe Institut eveneens, en in het centrum van Vilnius hebben de Fransen het huis bezet waar Stendhal, in het gevolg van een haastig op en neer naar Moskou reizende Napoleon, ooit nog eens veertien dagen heeft verbleven. Daarin zijn ook een talenschool gevestigd en een cultureel centrum om de Litouwers bij te spijkeren in hun kennis van een cultuur waartoe ze de toegang zo lang node hebben moeten missen - en een boekwinkel.

In een keurig samenwerkingsverband worden de uitgaven verzorgd van de Cahiers Lituaniens, vooral bedoeld om het evangelie van de contemporaine Litouwse cultuur onder Franstaligen te verbreiden. Verhandelingen over de unieke en markante Litouwse geschiedenis, verbluffende voorbeelden van tot op heden elders onopgemerkte Litouwse beeldend kunstenaars en voorbeelden van eigentijdse Litouwse literatuur maken er de inhoud van uit.

De Litouwse schrijversbond geeft bovendien, met ruime staatssteun, het tijdschrift The Vilnius uit, een driemaal per jaar in het Engels verschijnend blad met berichten van het eigentijdse literaire front. Het doet, in zijn enigszins vermoeiende enthousiasme en zijn kritiekloze toon, sterk denken aan de publicaties van het Productiefonds zoals wij dat in Nederland kennen - en het staat voor dezelfde onmogelijke opgave: een kleine literatuur bekendheid verschaffen op een drukke wereldmarkt. Ook Litouwen is inmiddels Schwerpunkt geweest op de Frankfurter Buchmesse, dus wie weet.

Vanuit alledrie de landen wordt, kortom, geweven aan het tapijt van de culturele eenheid, schering en inslag, van oost naar west en van west naar oost.

De Esten en de Litouwers staan er in zekere zin het best voor, beter dan Letland, doordat uit beide cultuurgebieden enkele grote schrijvers reeds langer in West-Europa en de Verenigde Staten bekendheid genieten. Cseslaw Milosz is weliswaar een Pools schrijver, en de hem indertijd toegekende Nobelprijs voor de literatuur straalt op de Poolse letteren af, maar hij wortelde in de Litouwse cultuur en zijn werk bericht daar ook over. Zijn herinneringen, Beginning with my Streets, zoals ze in de Engelstalige editie heten, zijn een evocatie van het vooroorlogse, pre-communistische Vilnius.

En Jaan Kross uit Estland is weliswaar tot op heden nooit met die allerhoogste prijs onderscheiden, maar al jarenlang prijkt zijn naam op het lijstje dat de literaire bookmakers ieder jaar aan het begin van de herfst opstellen. Wat Milosz, in enkele romans en in zijn memoires, heeft betekend voor de bewustwording van de Litouwse geschiedenis, heeft Kross gedaan voor Estland. Wie de eigenaardigheden en verscheurdheid van de Estse nationale geschiedenis in de 20ste eeuw wil leren kennen, kan niet om zijn markante De kring van Mesmer heen, dat de jaren van de Tweede Wereldoorlog tot onderwerp heeft, en het onlangs in Engelse vertaling verschenen vervolg daarop, Treading Air. Maar belangrijker nog is dat het allebei heel grote schrijvers zijn: De gek van de tsaar van Kross en de poëzie van Milosz behoren tot de literatuurschat van de 20ste eeuw, hoe onooglijk de cultuurgebieden waarin ze hun oorsprong vonden ook mogen lijken.

Interessant is de inhaalslag die plaatsvindt in de literatuur van de Baltische staten. Toen Emil Todes roman verscheen, was dat in Estland alleen al een sensatie om de franke wijze waarop de auteur erin verhaalt van zijn homoseksualiteit. Die levensbeschouwing kwam immers onder het communistisch bewind niet voor, en zo ze voorkwam deden de betrokkenen er beter aan niks te laten merken en er al helemaal geen openhartige boeken over te schrijven. In Litouwen wordt veel werk gemaakt van de vrouwelijke stem in de letteren en dus verschijnen er reeksen en bloemlezingen waar een West-Europese dichteres van tegenwoordig zich voor zou generen erin te worden opgenomen.

De stichting Books From Lithuania - goed vergelijkbaar met de stichting Frankfurter Buchmesse die indertijd in Nederland werd opgericht om werk te maken van Schwerpunkt Niederlande - verzorgde een uitgave van Five Lithuanian Women Poets, waarin werk staat dat slechts de meest geharnaste tuinbroekendraagster nog met nostalgie kan vervullen. In het algemeen is het hooguit deerniswekkend.

In vergelijking daarmee zijn uitgaven met werk van jonge Litouwse dichters in Engelse vertaling of overzichtswerken met contemporaine Litouwse poëzie in het Duits zinvoller. Wie er de ene grote stem van de Litouwse poëzie in zou willen vinden, komt bedrogen uit. Woordkunst en kleine belevenissen, meer vondstjes dan vondsten, soms aangenaam, meestal flauw, vaak door het particuliere karakter van de associaties onbegrijpelijk - volledig in harmonie met de poëzie elders in Europa.

Toch zijn die staalkaarten interessant, juist door wat ze niet te bieden hebben: je hoopt onwillekeurig dat uit die landen met hun bewogen geschiedenissen een groot schrijver komt, liefst ook nog met een Groot Verhaal, Sinngebung des Sinnlosen - ongeveer zoals Jaan Kross dat met zijn historische romans voor het Estland van voor de val van het communisme deed: het eigentijdse gevoel van verwarring wortels geven en daarmee verhelderen. Het is de hoop van de literaire kolonisator: aan de horizon ligt een schateiland. In werkelijkheid kijken de bewoners van dat schateiland reikhalzend uit naar wat de explorerende reiziger meebrengt.

Opvallend is de aanwezigheid in Letland van recente boeken die de ervaring met de communistische bezetter documenteren. In We Sang Through Tears is een aantal egodocumenten of fragmenten daaruit bijeengebracht, waarin een langdurig verblijf in Siberië of binnen de poolcirkel in het noorden van Rusland wordt geboekstaafd. Die bloemlezing is voor de buitenlandse lezers gemaakt, maar ze weerspiegelt een aanzienlijk oorspronkelijk aanbod.

In alledrie de Baltische staten hebben de communistische zuiveringen sociale en culturele ravages aangericht, en natuurlijk klinkt het effect daarvan door in de literatuur. Maar zie ik het goed, dan is de aandacht daarvoor in Letland sterker en explicieter dan in Estland en Litouwen. Een literaire verwerking is dat nog niet; eerst zijn kennelijk de feitelijke getuigenissen aan de beurt. Het moet te maken hebben met de onvoorstelbare aantallen mensen die in Letland aan deze behandeling onderworpen zijn geweest, en aan de aanwezigheid van een zeer grote Russische minderheid in Letland: de kinderen van de daders en die van de slachtoffers zijn gedoemd tot samenleven.

Meer over