Kinderen uit het paradijs

Een liefdesdansje uit 1993 duikt ook weer op in de nieuwste productie '1, 2, 1, 2, 3, 4' van het duo Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard....

door Annette Embrechts

DRAAI JE rechtervoet naar buiten. Veer door de knieën. Sluit je linkervoet aan. Blijf doorveren terwijl je de beweging in kleine stapjes herhaalt. Stap-veer-roteer, stap-veer-roteer. Voer de verende rotatie uit met een partner: ontbloot bovenlijf, body to body, armen gestrekt, gezichten en profil. Raak elkaars handpalmen lichtjes aan. Voel de maat van Arvo Pärts Spiegel im Spiegel tot in je tenen.

Ziehier het liefdesdansje van Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard. Eind 1993 sloten ze er samen Klein Volkslied mee af, de laatste voorstelling van good old Truus als koningin van de dansperformance. Een soloproductie - op die ene bijdrage van Marien na. Een half jaar eerder toonde het paar al een variant van het innige duetje in Les enfants du paradis van Nieuw West, het tegendraadse, door Jongewaard in 1978 opgerichte theatercollectief. Teder maar beslist dansten ze vier jonge mimers naar de zijlijn. Er mocht geen twijfel over bestaan: de kinderen uit het paradijs waren zij zelf.

Het Spiegel-im-Spiegel-dansje was een openbare liefdesverklaring die in 1995 definitieve gevolgen kreeg. Niet alleen bezegelde de geboorte van hun dochter Roxy een ruim tienjarig huwelijk, hun artistieke betrokkenheid bij elkaars theatercarrière culmineerde in één gezelschap, eenvoudig vernoemd naar hun beider namen: Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard. Bijna vijf jaar later is dit het enige Nederlandse dansgezelschap in Ivo van Hoves Holland Festival 1999.

De festivalproductie draagt een vreemde titel: 1, 2, 1, 2, 3, 4, wellicht verwijzend naar het hardop tellen van een vierkwartsmaat door vier danseressen in Goodbye Body (Bronkhorst en Jongewaard, 1995) tijdens een strenge ruitformatie. Overigens staan er in 1, 2, 1, 2, 3, 4, geen twee, vier of zes mensen op het podium, maar tien. Negen mannen en Bronkhorst zelf.

De rest van het dansaanbod in het Holland Festival bestaat uit drie voorstellingen van Shazam! door La Compagnie DCA van de Franse dansregisseur Philippe Decouflé en een choreografie van de Vlaamse Koen Augustijnen - uit de stal van Alain Platel - voor een concert van de Antwerpse popgroep Zita Swoon.

Vier dansproducties heeft het gezelschap Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard tot nu toe op zijn naam staan: Wonderful World (1995), Goodbye Body (1995), Truus Bronkhorst, Marien Jongewaard and friends (1997) en The Fall (1997). Bijna allemaal even succesvol, met de laatste als klapper. Naast een uitgebreide buitenlandse tournee kreeg het duo in mei van dit jaar voor The Fall de 'Prix d'auteur général de Seine-Saint-Denis'.

In bijna alle voorstellingen is wel ergens een residu van het verende cirkelduetje terug te vinden. In Wonderful World danst één van de vier stellen lichtjes in de rondte, buigend door de knieën. Citeren uit eigen en andermans werk is het handelsmerk van Bronkhorst en Jongewaard. Schaamteloos duiken in nieuwe voorstellingen oude poses op, pasjes, rekwisieten en statements. Meestal niet eens gesampeld tot flarden herkenning, maar letterlijk gekopieerd naar andere lijven, zoals de hand in het kruis uit Sarcasmen (1981) van Hans van Manen.

De openingssolo van The Fall, waarin Marc van Loon op een indringende vioolsonate van Hindemith langzaam een zwart-kanten japon over zijn bijna naakte lichaam trekt, herinnert aan Bloed (Bronkhorst, 1992). Tijdens het slot van Truus Bronkhorst, Marien Jongewaard and friends liften alle acht vrienden een zwarte ballon, precies zoals Bronkhorst dat vol woede en rouw deed in Lood (1988), waarna ze werd gelauwerd met de Gouden Theaterdansprijs. De witte pauwenveren verschenen in Zwarte Bloesem (1991), in de knuisten van drie donkere amateurdansers, daarna in Bloed en nu wuiven ze weer in 1, 2, 1, 2, 3, 4, alle zwaarte weg.

Dansers uit de huidige vaste kern, zoals Jean Louis Barning, Jakob Nissen en Marc van Loon, blijken meestal niet te weten dat het om bestaand materiaal gaat. Bij ontdekking ervan voelen ze zich vereerd. De danspassen ademen de geur van een roemrucht verleden.

Bronkhorst en Jongewaard knippen beelden uit onze dansherinnering en plakken die aan iconen uit de kunstgeschiedenis. Dansers in de houding van Michelangelo's Pietá. Dansers gekruisigd. Dansers van het kruis gehaald. Dansers die gewond ter aarde storten. Opgeheven vuisten van verzet. Een mengsel van goedkoop melodrama en poëzie, waar Bronkhorst solo en Jongewaard bij Nieuw West al patent op hadden.

De in Zuid-Limburg geboren Bronkhorst is nooit vies geweest van roomskatholieke liturgie en samen met de Amsterdammer Jongewaard sjouwt ze een tas vol historische iconen. Beelden die eerder worden ingezet om emotie op te wekken, dan om een venster te openen op de wereldgeschiedenis. Het is illustratieve informatie voor het dramatisch effect.

Tikje sarcastisch, zeker moralistisch: Ecce homo! Kijk hoe de mens aan angst, agressie en affectie is overgeleverd. Dansers suggereren in Goodbye Body een knock-out door maagstompen, kruisknallers en kaakslagen zo lang te imiteren dat je buik vroeg of laat gaat draaien. Geweld dat verwees naar de vele doden die de afgelopen jaren vielen in de omgeving van het kunstenaarsechtpaar: de broer van Truus, haar vader, een technicus, oom Leen Jongewaard (voor Marien een vader) en zakelijk leider Otto Falkman.

Tegenover dit verdriet plaatsen Bronkhorst en Jongewaard de ordening van de cultuur: naast religieuze iconen klassiekers uit de muziek: Mozarts Requiem, Libera me van Gabriel Fauré, Purple Rain van Prince. Voor de zoveelste keer de naald in de groef van Jimi Hendrix, Van Morrison, Rolling Stones en Gavin Bryars. Haar eerste choreografietje maakte Bronkhorst toen ze elf was. Het werd een ballet tussen de schuifdeuren op muziek van Arvo Pärt. De Estse componist week nooit meer van haar zijde.

Hoe herkenbaar de symboliek ook is, de diepere betekenis van Bronkhorsts werk blijft verborgen. Wie diepgang zoekt, komt bij deze danspriesters bedrogen uit. 'Ik flirt helemaal niet met pathos.', zei ze in 1987 in De Tijd. 'Ik ervaar alles zo, echt. Voor mij is het hevige, het sterke, het uitgesprokene de realiteit.' En Jongewaard loeit zijn lach: 'Bij mij is alles plat.' (Het Parool, 1991)

Bronkhorst en Jongewaard, beide zevenenveertig, gedragen zich als twee grote kinderen die hun fantasie uitleven. Die naïviteit beschermen ze door hun choreografieën te laten uitvoeren door 'dansers die vitaal zijn, onbevangen, onbedorven.' (Jongewaard in de Volkskrant, 1995). 'Er mag geen smaakje aan zitten.'

De keuze van de dansers verklaart mede het succes van hun choreografieën. Halverwege de tournee van Goodbye Body vervingen ze alle vrouwen door mannen en dat is sindsdien zo gebleven. Jongens die hun ijdelheid nauwelijks verhullen en tegelijkertijd onbeholpen kwetsbaar ogen. Danssporters die even snel vervallen in een toffejongenssfeer als bezwijken onder het Grote Lijden. Stoer en supervrouwelijk. Kinky. Bronkhorst en Jongewaard wisten er in Limburg de homoscene mee te verleiden tot moderne dans.

In 1, 2, 1, 2, 3, 4 blinken negen mannentorso's van het zweet. Twee zijn donker. Halverwege duikt een meisje op in een zwart jurkje. Ze danst, ze dartelt, ze valt. Truus Bronkhorst. Bijna vijftig, eeuwig kind. 'Ewig, ewig' zingt het koor in Der Abschied, het slotdeel van Mahlers Das Lied von der Erde en favoriet van het choreografenduo. 'Eeuwig, eeuwig', schmiert Jongewaard op kleutertoon vanuit de regiekamer.

Holland Festival: 1, 2, 1, 2, 3, 4 van Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard. Bellevue Amsterdam, 8 tot en met 11 juni. Tournee 14 september tot en met 18 december.

Meer over