Kil, wreed en prachtig als een vrouw

'Het enige dat hier warmte geeft, is de zon.' Is de Provence-romantiek zo langzamerhand een obsessie voor toeristen en schrijvers?...

Zelfs de laatste oktoberkrekel valt even stil. Het kon een scène zijn uit Tartarin de Tarascon. Een bovenluik van het hotelletje kiert open en een hoofd vraagt op misprijzende toon wat wij in hemelsnaam verlangen. Het is tien over tien 's avonds, aan een landweggetje in Saint-Rémy-de-Provence. 'Een kamer? Maar menéér', kermt het hoofd, alsof zojuist een oneerbaar voorstel is vernomen. 'U zou zich hier vóór zes uur inschrijven, in verband met de veiligheid. Uw kamer is inmiddels al vergeven.'

'In de Midi liegt men niet', schreef Alphonse Daudet in zijn Tartarin. 'Men vergist zich. Men zegt er niet altijd de waarheid, maar denkt dat wel te doen. (. . .) De eigen leugen is immers geen leugen, maar een soort zinsbegoocheling.' Een vorm van geruststelling, want mijn hotelreservering zwijgt immernadrukkelijk over verplichte aankomsttijd. De zo lieflijke Provence is toch Bosnië niet? Of luilekkerland voor Algerijnse terroristen?

Alleen de entree van het hotel baadt in schel licht. Er grijnst de gast een vijandig, metershoog hek tegemoet. Elektronisch vergrendeld. Boven de oprijlaan van grind hangt een ketting. Alleen hondegeblaf blijft uit. Checkpoint Charlie tussen vaag naar lavendel geurend struweel, waar Vincent van Gogh nog met palet en penseel moet hebben rondgedoold. Handenwringend durft de gestalte aan de verweerde zijgevel zich inmiddels wat verder uit zijn fortificatie te buigen.

'Het is allemaal de schuld van de criminaliteit, monsieur. Gisteren heb ik persoonlijk een paar onverlaten uit ons gastenverblijf weggejaagd met m'n geweer. Zes schoten van elf millimeter, kunt u zich dat voorstellen? We verkeren hier in staat van oorlog'

Dat état de guerre! van die overslaande stem snijdt als een koksmes in de sterrenhemel. Rovers! Dieven! Men kan niet voorzichtig genoeg zijn. Zou de gastheer de goedheid hebben om het hek voor me te openen, dan gaat er op het politiebureau terstond een alarm af en zal de gendarmerie met gillende sirenes de buurt komen opschrikken. Mais non, monsieur, dat gaat zomaar niet! Eerst moet de bewakingsdienst worden gebeld. Dat heb je met die infrarood-uitrustingen van tegenwoordig. Het hoofd verdwijnt schielijk. Het venster klapt dicht, lichten doven. Einde voorstelling.

De krekel in de olijfboomgaard herneemt sereen zijn afscheidsode aan de zomer. Minutenlang gebeurt er niets.

Had ik ook maar niet zo uitvoerig moeten worstelen met de sortering knekels en vetkwabben, die op de spijskaart van Bistrot Les Alpilles als lamskoteletjes aangeprezen stond! 'Overreden hond', zei Rudolf nog, 'kun je altijd terugsturen.' In zijn vaste restaurant had Rudolf met instemming reisauteur James Pope-Hennesy, aangehaald: 'Buitenlanders die in het voorjaar of in de zomer in allerijl op weg zijn naar de kust, krijgen geheel ten onrechte de indruk dat de Provence een lachend land zou zijn dat bewoond wordt door een knap en vriendelijk ras.'

Er sluimert immers wreedheid in het Provençaalse karakter, in het landschap.

Het zijn helemaal geen aardige mensen, beaamde Rudolf, die al jaren in St-Rémy woont. Probeer in de Provence een restaurantje te beginnen als je uit de Dordogne komt, of uit Grenoble: je wordt geboycot, weggepest. 'Het enige dat hier warmte geeft, is de zon', zei een Vlaming tegen mij. Repte Vincent van Gogh in een brief aan broer Theo niet over 'de schandelijke onverschilligheid van de Provençaalse volksziel'?

De eerste de beste avond dat Rudolf zijn Golf-diesel onder de platanen parkeerde, miste hij bij terugkeer z'n autoradio. Ruit ingeslagen, alsof hij de eerste de beste buitenlander was! Terwijl het kenteken toch een nummer van een departement bij Parijs droeg. 'Maar dan ben je buitenlander', zeiden ze in St-Rémy droog. In de Bouches-du-Rhone kun je maar beter met nummer 13 rondrijden.

Rudolf Bakker is auteur van 'de dikke Bakker', een typering die hem maar gedeeltelijk behaagt 'want ik lijd onder mijn embonpoint.' Zijn Provence en Cote d'Azur, een reisgids voor vrienden dus, waarschuwt de lezer zich niet te laten beetnemen door stereotypen als pittoreske bergdorpjes of onbegrijpelijke resten van een Romeins badhuis. Die Provence-romantiek is zo langzamerhand een obsessie, voor toeristen en voor schrijvers.

Onder de gesel van zijn eigen klimaat droomt de toerist zich een ideale wereld van commedia dell'arte, waar alles op zijn plaats staat, de zon altijd schijnt, de druiven van de wingerd rollen; waar men rondedansjes maakt, op de fluit blaast, op de trommel slaat, onderwijl geiten melkt, schaterend de wijnoogst binnenhaalt en voortdurend te veel drinkt. Daar zijn we veilig, daar is de boze wereld nog niet doorgedrongen, daar is het goed. Laat Rudolf Bakker niet lachen.

'Wàt pittoresk', gromde hij tussen twee teugen makkelijke wijn door, 'pittoresk is in veel gevallen gewoon een ander woord voor armoede. Als je goed om je heen kijkt, dan zie je dat het ene dak scheef hangt en de andere schoorsteen er bijna afvalt. In de herfst ligt het fruit hier onder de bomen te rotten, omdat de Europese concurrentie te moordend is.

'Jonge mensen kunnen hier niet aan een woning komen, terwijl er zoveel huizen leegstaan die in het bezit zijn van buitenlanders, Parijzenaars. In al die jaren dat ik hier rondfiets, kom ik langs van die popperige panden waarvan ik nog nooit een luik open heb zien staan.'

De zomer zit hem nog in de knoken. Hete zomers, hij kan er eigenlijk helemaal niet tegen. Vreselijk. De toeristeninvasie maakt het helemaal onleefbaar. Je komt met nog geen hakbijl door St-Rémy. Geen kritiek op het toerisme hoor, maar het wordt een maatschappelijk probleem. Op de Pont du Gard slaan ze sightseeing mekaar ongeveer de hersens in, in artiestendorp Roussillon weet de bevolking zich geen raad met de alles vertrappende horden.

En het schijnt dat ze in Ménerbes, buiten de horeca dan, dramatisch moeten overgeven van het soort Britse bezoeker, dat op benen wit als flessen karnemelksepap nog steeds probeert de dorpsidioten te traceren die zijn landgenoot Peter Mayle vier, vijf jaar geleden alweer heeft neergezet in zijn o-la-la-kijk-die-gekke-Fransen-toch-boeken A year in the Provence en Toujours Provence. Mayle's gezellin ging er inmiddels met een Engelse reporter vandoor.

Om kort te gaan: moet een van de meest geliefde vakantiebestemmingen ter wereld met zijn magische kracht van 'roze amandelbloesem en paarse irissen, van donkere cipressen, zilveren olijfbomen en speelse platanen' (flaptekst) wel zo nodig beschreven in een pil van 457 bladzijden?

Ja dat moet.

Het aardige van Frankrijk namelijk, zei Rudolf, is dat stilte er in de aanbieding blijft; voor wie bedenkt dat 'men' de gewoonte heeft om dicht bij de weg te verpozen uit angst om zich van anderen los te rukken. 'Alleen de echte diehards kom je op rotspunten en in kloven tegen.' Moet de Rivièra onderhand onbewoond verklaard worden; balt de nachtmerrie zich nu ook elke zomer samen in de Provence: in het najaar en in het voorjaar ziet Rudolf van die Hollandse intellectuelen in korte broek rondstappen, 'ook als het iets te koud geworden is'. En voor hen is nu juist zijn gids bedoeld!

Als het hotelhek die keer openzwaait, wil men zich zelfs om de bagage van de late gast bekommeren. Hoezo geen kamer meer? De volgende ochtend blijken er maar twee mede-gasten te zijn. Gêne over het welkomstincident. Of ik wel goed geslapen heb? Ik moet de eigenaar vooral niet verkeerd begrijpen. Hij wil me slechts inprenten dat de zone Arles, Avigon en Salon als 'rode driehoek' bekend staat.

En dan die zakkenrollers van de zomer. 'Stel u voor, in St-Rémy heeft de burgemeester zelfs de brandweer laten posten bij de Romeinse bezienswaardigheden als Glanum en Les Antiques. Mij verbaast niets meer, monsieur', lispelt de hotelier. 'Nostradamus, in onze stad geboren, heeft in zijn profetie al naar deze toestand verwezen.'

Ter verhoging van de feestvreugde zal Rudolf later nog vertellen dat de burgemeester van Beaucaire (niet eens Le Pen-aanhanger), aan de andere kant van de Rhone, naar believen vreemdelingen van zijn grondgebied mag weren. Een knipsel uit La Liboeration bewijst: de gemeenteraad geeft de man vrij mandaat. Maar geen litanie kan de duizelingwekkende schoonheid aantasten van de 31 duizend vierkante meter (maar drieduizend minder dan Nederland) 'waar je niet met je platvoeten doorheen moet banjeren'.

Want denk aan de eerste christenen, zegt Rudolf. 'Wáár je ook loopt: het trilt en siddert hier van de geschiedenis. De gordijnen die er boven hangen, moet je dan heel voorzichtig open doen, vind ik zelf.' Een boekenkast berstensvol heiligdommen der Provence staat een beetje apart in Rudolfs aangename onderkomen. Bakker kan zo afstuderen op de Provence. Zijn dochter doet het binnenkort op de bewogen historische relatie van de stad Orange met Nederland.

Liguriërs, Kelten, Grieken, Romeinen, barbaren, Franken, Westgoten, Karolingen, Saracenen, Waldenzers: de dikke Bakker gonst van zoveel geschiedenis en cultuur ('de hele Provençaalse literatuur is op heimwee en hartstocht gebaseerd'), dat de reiziger soms even naar adem moet happen. Op zijn drie jaar durende speurtochten naar gevluchte pausen, kloosters, ravijnen, vergeten stadjes, hotelpaleizen en vestingen, sprak de auteur zijn bevindingen op de cassetterecorder als volgt in: 'We beginnen nu een indrukwekkende tocht', 'Als we de kruising zijn genaderd', 'We slenteren door nauwe straatjes', 'We werpen een laatste blik op. . .', 'Als we weer op de autoroute terug zijn.'

Bakkers hart gaat uit naar de benedenloop van de Durance, waar hij met zijn geelwitte mountain bike graag de kleine Alpjes (Les Alpilles) mag bedwingen. Meestal fluit hij dan Stormy weather, zelfs al prikt het Provençaalse voorjaarslicht hem 'als glasscherven in de ogen': de mooiste melodie voor mensen van zijn leeftijd, maar je hoort het niemand op straat fluiten. Fransen fluiten au fond niet: a-muzikaal volk, gromt Bakker, terwijl hij de wind door het schuifdak laat fluiten.

Bakker is een Zeeuw. Geboren aan de Jonkvrouw Geilstraat in Sint Anna-ter-Muiden. Belandde na een studie notariaat op de redactie van de Haagse Post. Verstaat in hoge mate de kunst van het converseren ('Hiltermanns vrouw Sylvia gaf me bij elke opmerking ongeveer het idee dat ik een gouden keutel had uitgepoept'). Schreef het prachtboek Gallische brieven en geraakte op het laatste deel van zijn traject als buitenlandse correspondent voor de GPD (Bonn, Rome, Londen, Parijs) zowaar nog vrijgezel.

Van buurman Georges, die zich van tijd tot tijd de polsen doorsneed, weet Rudolf Bakker dat er in z'n tuin micolouliers staan rondom de waterput. De micocoulier, zo oud als de olijfboom, stond in de Provence langs de wegen vóór de komst van de plataan. Als Bakker groot is - hij is thans 65 en vader van twee volwassen kinderen - wil hij z'n paradijsje hier niettemin verruilen voor het natuurschoon van Vexin, ten westen van Parijs, begrensd door Oise en Seine. Want: 'Als ik naar het noorden rijd, haal ik ter hoogte van Beaune altijd even verlicht adem. Daar kom je in het Frankrijk zoals het dat in mijn onnozelheid moet zijn. Niet zo heet.'

De Provence als zelfkastijding? Ook weer niet waar. Het was een coup de foudre toen Bakker in St-Rémy dit huisje ontdekte: 'Hier moet ik zijn.' Onder het motto dat elke expeditie in een ruïne, en vooral in een verdomd goed restaurant dient te eindigen, belooft Rudolf de stilte van de campagne. Oorverdovende stilte. Maar eerst rijden we naar Carbrières-sur-Avignon, een dorpje dat in de vijftiende eeuw met de grond gelijk is gemaakt, op last van Maynier d' Oppède, de grote schurk van het parlement van Aix. Die richtte een bloedbad aan onder de ketterse Waldenzers.

Met de stafkaart in de hand en tot aan z'n ellebogen in de garrigues strompelend wist Bakker de mur de la peste te traceren, veertiende-eeuwse illusie tegen de gevreesde epidemie. Oog in oog met de historie ('aan de Rivièra is die verwoest onder betonmassa's') houdt de gids zijn verrekijker af en toe gericht op de auto, met het oog op 'loslopende werklozen uit Salon en Marseille'.

Het stadje Gordes zal machtig op ons neerblikken ('maar zodra je er in bent, val je om van verveling'); Mitterrand liet hier een villa voor zijn maîtresse bouwen. Maar we komen voor het verderop gelegen Murs: hier vluchtten Waldenzer vrouwen met kinderen op de nek rotsholen in. Het baatte niet. De wrede vijand stak takkebossen bij de ingangen in brand, niemand overleefde. In onze beschaafde eeuw zijn de rotsholen lastig te vinden.

Maar beloond wordt onze worsteling met struiken en stenen op de steile helling: hier en daar geeft het mos op rotsblokken een tipje blauwe verf prijs. Wandelroute. Maar dan wel eentje voor wandelaars met een kapmes. Aangeland bij een klein, sinister gat dat naar een labyrint van gewelven moet voeren, is het voor claustrofobici onvoorstelbaar dat er mensen in pasten. 'Het gevaar van m'n boek is dat hier straks vijfhonderd Nederlanders met colaflessen voor de grot staan.'

Zelf heeft Bakker wel eens bij zo'n onheilspellende plek roofvogels zien cirkelen en gehoopt dat hij z'n enkel niet zou verstuiken. 'Als ze je al terugvinden, ben je een uitgedroogd skelet.' Mijn kippevel wordt weggenomen door een lunch tussen de wijngaarden, waar de dorpspapegaai van Joucas ons begroet met 'Bonjour Oscar'. Mannen met rode hoofden stappen wankelend achter het stuur, de najaarszon zet de Lubéron in een gloed van koperpoets.

'Van zo'n prachtig Arcadië krijg je niet genoeg. Net zo min als van een mooie vrouw', zegt Rudolf, die tot zijn leedwezen geen meiden met gescheurde bloesje meer aan de wijnoogst ziet. Allemaal machine-werk.

Rudolfs' eigen razende machine ('als we op jouw helft van de voorruit nou een stuk karton plakken, dan zie je niet welke gevaren er op je af komen') weerstaat de gemotoriseerde zeden. Men kleeft bumper, men haalt in vlak voor een onoverzichtelijke bocht, 'want die 120 duizend doden per jaar moeten toch ergens vandaan komen'. Saint-Geniez in de Alpes-de-Haute-Provence moeten en zullen we halen: om na een tocht langs olifantsruggen van bergpartijen vóór zonsondergang nog net 'De Beschreven Steen' te zien.

Hier, 1200 meter hoog, moet in de vijfde eeuw Theopolis hebben gelegen; de stad Gods van de bekeerde Romein Dardanus. We moeten die ene boer duidelijk groeten hoor, zegt Rudolf nog. 'Anders komen ze ons niet halen als we in het ravijn zijn gelazerd.' Dit land van steeneik, schapen en thijm verlost ons van de alledaagse barbarij. Kilte kruipt er in je zomerkleren, daar bij de rotsdoorgang van Entrepierres. Beneden ons gorgelt het eeuwenoude riviertje de Jabron. De wereld valt weg. Internet bestaat niet.

Pas een vallei of wat later hangt die wereld ons weer boven het hoofd: een eenzame parasailer lijkt de citadel van Sisteron te raken. God in Frankrijk. En wat is dat op dat rotsmassief daar, waar die vlaggen wapperen? 'Een winkel in tweedehands boeken', hoopt mijn chauffeur verlekkerd. De Alpes-Maritimes, verderop, blijven in z'n dikke Bakker een open boek. 'Alsjeblieft zeg! Anders was ik op m'n 75ste nog niet klaar geweest. Ik vind het daar trouwens meer op Beieren lijken.'

De tegenpool ligt achter Arles; niet ver van de plek waar Via Agrippa, Via Aurelia en Via Domicitia samenkomen. Een bijna-Hollands landschap. Daar legde de Nederlandse waterbouwkundige Van Ens vanaf 1642 de moerassen van La Petite Crau droog. Voordien verplaatste men zich, net als op de Indiase rivier de Ganges, op utriculaires: planken die op opgeblazen varkensblazen waren vastgemaakt. De Camargue, het àndere eind van de wereld. Het kronkelpad rammelt je ingewanden van hun plaats en na een uur glijd je dan vanzelf de zeespiegel in.

Puur Fellini: een zandplaat met witte Carmarguepaarden, zich spiegelend in rimpelloos water. Oók Provence. Er staan caravans vol roest, merkwaardige bouwsels van drijfhout. Geen leidingwater is er. Gas en elektriciteit ontbreken. Dit is de niet-geregistreerde enclave van Beauduc. Die wildgroei wordt gedoogd, nog wel, door de Compagnie des Salins du Midi et des Salins de l'Est, Frankrijks grootste zoutproducent.

Twee vrouwen in badpak trotseren gearmd de laatste muggen, auto's darren als amfibieën door het zoute water. En bij Marc et Mireille schranst het volk wellustig aan lange schragen: mosselen, dorade. Ik zie roze flamingo's plechtig voorbij zeilen. In het water staat een paard met een vogel op zijn rug. 'Een roerdomp, noteer dat', zegt Rudolf. 'Niet dat het er een is, maar ik vind het zo'n mooi woord.'

'Als je oog overvoerd is geraakt door de Provence, dan ga je hierheen', zegt Rudolf. 'Kijken naar niets. Wij Nederlanders zijn gewend om naar niets te kijken.'

In St-Rémy wacht ons een vraag. Of we 'daarginds' nog last hadden van, eh, nou ja. . . zigeuners? Het antwoord valt blijkbaar even mee als het tegenvalt.

En in 't hotel is dat jachtgeweer niet meer van z'n plaats geweest.

Rudolf Bakker: Provence en Cote d'Azur. Arbeiderspers; ¿ 59,90. Gallische brieven. Arbeiderspers; f 39,90.

Meer over