Kijkers op de snelweg

Een verstandig man, ik geloof dat het de tekstschrijver van Ikea was, heeft eens gezegd dat er drie manieren zijn om je te ontspannen in het leven: je kunt minder gaan werken, je kunt een kat nemen of je kunt een kast kopen....

Marjolein Februari

Nu is het zo dat kasten iets te maken hebben met baarmoeders, dat is algemeen bekend. De tekstschrijver van Ikea maakt opmerkelijk weinig werk van dit gegeven, maar je kunt er van alles over nalezen in boeken over droomuitleg. Huizen, zolders, gangen, kamers, kelders en kasten blijken in die boeken niets anders dan de evenzovele elementen van de menselijke anatomie. Om u volledig te informeren zocht ik nog snel even zo'n dromenboek in een catalogus over droomuitleg, maar ik vond slechts een proefschrift van een geleerde die Kast heette. En voor zover ik weet had zij verder nergens iets mee te maken.

Ik moest me ontspannen en ik stapte in de auto en ik ging een kast kopen. Ik was niet de enige. Een lange sliert auto's reed vanuit het oosten naar de grote stad. En hoewel ik aan de gezichten van de bestuurders niet kon aflezen dat zij onderweg waren om een kast te kopen, had ik zojuist in de krant gelezen dat zij onderweg waren om een kast te kopen en dus kon het niet anders of het was zo. 'Mensen bouwen graag nestjes,' schreef Maartje Somers in de NRC, 'daarom gaan we in het voorjaar naar de meubelboulevard.'

Nu was ik niet langer zomaar een individu op zoek naar ontspanning. Door een stuk in de krant was ik lid van een kudde geworden. Een dier, met een nest als symbool van verlangen. Een huisvrouw, gedreven door oerdriften en instincten. Een yup. Een lid van de bourgeoisie, die onder invloed van economische ontwikkelingen haar huis op orde wenste te krijgen. Volgens het stuk in de krant bouwde ik mijn hele bestaan op uit dromen en uit emoties. En daarmee, schreef Somers, waren we 'aangeland bij Freud en de baarmoeder'. Nee, het was duidelijk: ik ging me helemaal niet ontspannen. Ik ging een kast kopen. 'Het is voorjaar tenslotte', zei Somers.

Zo reed ik algauw op de A12 richting Utrecht. Ik neuriede inderdaad en reed verder rustig op de rechterbaan van de weg, toen opeens de vrachtwagen vóór me een geweldige zwieper naar rechts maakte. Even dacht ik dat hij koers zette naar de vangrail, maar hij draaide net op tijd bij, en op dat moment zag ik wat er mis was. Er liepen twee eendenkuikentjes, midden op de A12.

In een recente reclame voor de natuur zie je wat welpen op een rots liggen, met pluizige haartjes en een nieuwsgierige blik naar alles wat komen gaat. En zoals die welpjes op hun rots liggen, zo nieuwsgierig liepen deze eendenkuikens op de snelweg, de donsveertjes op hun hoofd nog een beetje in de war van het ei. De vrachtwagen miste ze weliswaar op een millimeter, maar de auto die aanstormde op de linkerbaan kon ze niet meer ontwijken. In vertraagde beweging zag ik hun veertjes opfladderen en toen was ik alweer voorbij en al bijna in Utrecht, waar ik naartoe ging om een kast te kopen.

Er gebeurden veel ongelukken die dag op alle Nederlandse wegen. Op de radio werd kritisch gesproken over rijen 'kijkers' die zorgden voor te veel oponthoud. Ik sloeg met mijn vlakke hand op het stuur, want ik heb altijd een bloedhekel gehad aan dat denigrerende woord 'kijkers'. Zou het niet veel kwalijker zijn, riep ik tegen de radio, als niemand keek op het moment dat er iets erg gebeurde? Is het niet gewoon ons instinct om op onze hoede te zijn in tijd van gevaar? Om de pas een ogenblik in te houden? En te remmen?

Door al dat gemopper op 'kijkers', mopperde ik terug, wordt de onderlinge betrokkenheid van mensen zwaar onderschat. De zorgzaamheid van mensen om anderen in hun omgeving veilig te stellen. Hun moederlijkheid. Als je moppert op 'kijkers', redeneerde ik verder, zou je in fileberichten net zo goed kunnen mopperen op die vrachtwagenchauffeur, die zijn stuur beslist niet naar rechts had mogen gooien toen twee kleine kuikentjes nieuwsgierig de weg opstapten. Maar wie oog had voor de dromen van een vrachtwagenchauffeur, zei ik, zag dat het pure moederlijkheid van hem was.

Nu de eendjes dood waren, leken de zonnige dagen van het voorjaar vol zorgen. Er moest een kabinet worden gevormd, en de informateurs zochten toenadering tot de anti-democraten van de SGP. In Nederland werd, terwijl dat in Frankrijk allang bij wet is verboden, een claim toegewezen aan een gehandicapt kind dat niet geboren had willen worden. Eigenlijk moest ik nodig eens uitzoeken hoe dat allemaal zat en waarom ik het met dat Franse verbod eens was geweest. Maar ik had het te druk met mijn huis; de plafonds moesten gewit, de oude linnenkast uitgeruimd, de nieuwe kast op zijn plaats. En bovendien raakte ik, wat ik ook deed, de neerslachtigheid vanwege die kuikentjes niet meer kwijt.

Toen bereikte mij het bericht dat de schrijfster Elisabeth Keesing was gestorven, 92 jaar oud. Ooit had ik, vlak voor een literaire bijeenkomst, één zin met haar gewisseld. Een kleine, kordate dame op leeftijd die, juist toen we het podium op zouden stappen, zich naar me omdraaide, strak naar mijn kruis keek en streng vroeg: 'Zit uw gulp dicht?' Ik keek ook. 'Jawel, zei ik, 'die zit dicht.' Sindsdien is Elisabeth Keesing altijd een fractie van een seconde in mijn gedachten geweest zodra ik de maatschappij tegemoet trad. En zulke betrokken kijkers als Elisabeth Keesing, besefte ik, maken die maatschappij veilig. Ik ruimde met hervonden levensvreugde de kast in.

Meer over