'Kijken wat dit aapje kan' Jonge allochtone schrijvers ambivalent over 'migrantensoep'

Net als de Generatie Nix worden ze veelal - en meestal tegen wil en dank - onder één noemer samengebracht: de jonge allochtone schrijvers....

JANNY GROEN

BIJNA onvermijdelijk krijgen ze hetzelfde etiket opgeplakt en hun manuscripten verdwijnen in dezelfde la: die met het opschrift 'allochtone literatuur'. Ze worden ook bij voorkeur uitgenodigd door organisatoren van multiculturele manifestaties om uit eigen werk voor te lezen. En hun verhalen - rijp en groen, lyrisch en sociaal-realistisch - worden met een nonchalant gebaar samengevoegd, gebundeld tot een exotische literaire grabbelton.

Hafid Bouazza (25), Malika Al Houbach (25) en Ceren Taygun (21) worden beschouwd als aanstormend allochtoon talent. Ze kennen elkaar niet of nauwelijks, hebben een verschillende achtergrond, hanteren een uiteenlopende stijl en ook hun thema's hebben weinig met elkaar gemeen. Toch worden ze, zoals de Generatie Nix en veelal tegen wil en dank, onder één noemer samengebracht.

Half september lezen ze alle drie voor uit eigen werk op het internationale Crossing Border Festival in Den Haag; Bouazza en Taygun staan schouder aan schouder in de 'migrantenbundel' Het land in mij, dat volgend voorjaar bij Arena verschijnt; en Bouazza heeft ook nog een dubbelrol in het literaire festival In 'Other' Words, dat Het Soeterijn in Amsterdam op 8, 9 en 10 september organiseert (hij leest voor en schreef een ballade voor het kinderprogramma 'Woorden op Reis').

'Ik heb mijn verhaal nog uit de bundel Het land in mij willen terugtrekken', reageert Bouazza geïrriteerd, als het allochtone label ter sprake komt. 'Maar het was te laat, ik had al in een eerder stadium toegezegd.' Dat was in een periode waarin Bouazza, die in 1970 in het Marokkaanse Oujda is geboren, het migranten-stempel nog goed kon gebruiken. Het bood hem de kans om zijn werk gepubliceerd te krijgen. Maar nu zijn eigen bundel korte verhalen De voeten van Abdullah op stapel staat (verschijnt in maart 1996 bij Arena), wil hij niet meer met allerlei jonge Turkse en Marokkaanse schrijvers op een hoop worden gegooid.

'Ik hou me ook verre van multiculturele initiatieven als de markt in Beverwijk en de IJ-markt. Ik heb een hekel aan collectieve processen. Als migrant stuit je op een gegeven moment op de vraag: kies je voor jezelf of voor de traditie. Ik heb voor mezelf gekozen, tegen de islam, voor de vooruitgang. Overigens is het veel makkelijker om niet voor jezelf te kiezen.'

Bouazza woonde tot zijn zevende in Oujda, belandde vervolgens - in het kader van de gezinshereniging - in het Zuidhollandse 'gat' Arkel. Hij doorliep de middelbare school in Gorcum en besloot, na een aantal voorbereidende cursussen, Arabische klassieke letterkunde te gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Hij doceerde Arabisch, werkte voor een vertaalbureau, voor het Arabisch Cultureel Centrum, schreef verhalen en theaterstukken en componeerde muziek. 'Daar heb ik niet voor gestudeerd hoor, op muziekgebied ben ik een autodidact.'

Hij groeide op met de Koran, tot zijn zestiende bad hij elke dag, vastte hij tijdens de ramadan. 'Ik moest hele passages uit de Koran uit mijn hoofd leren, maar ik snapte er de ballen van.' Zijn moeder raadde hem aan Arabisch te leren, omdat de Koran eigenlijk alleen in die taal goed te doorgronden is. Op zestienjarige leeftijd maakte hij zich die taal eigen, woord voor woord, met behulp van zijn zus. 'Maar er was niets in de Koran dat me raakte. Wat ik zocht, vond ik in de literatuur: esthetisch genot, een extatisch gevoel.' Uiteindelijk keerde hij de islam de rug toe.

Literair geïnspireerd is hij door Jorge Luis Borges, Nabokov, Salman Rushdie, Anthony Burgess, Edgar Allan Poe en vooral door de 'volksvertellingen' uit Duizend-en-één-nacht. De magie en mystiek van die vertellingen klinken ook door in eigen verhalen als 'De voeten van Abdullah', 'De verloren zoon' en 'Lied in Labia Mineur':

'Een maand later vond de avond ons op de kruin van een heuvel: drie schimmen scherp afgetekend tegen een heldere zonsondergang. De vingers kleverig van het olijfplukken telden we de som die dat werk had opgeleverd. Dertig dirham.' Zo begint 'Lied in Labia Mineur', dat zich in een niet nader genoemd Marokkaans dorp afspeelt. Kiest hij voor allochtone thema's? Bouazza benadrukt dat hij wil worden beschouwd als een Nederlandse schrijver, omdat hij in het Nederlands schrijft.

'Wat maakt je tot een allochtone schrijver? Je geboorteplaats, je afkomst, je huidskleur, de taal waarin je schrijft of de onderwerpen waarover je schrijft?' Hij wijst op zijn achtergrond: Arkel, Gorcum, Amsterdam. 'Ik sta met twee benen in de Nederlandse cultuur. Daarmee ontken ik niet dat ik in Marokko geboren ben en dat dat gegeven een rol speelt in mijn verhalen. De kindertijd is altijd een goede achtergrond voor verhalen. Daar heb je afstand van genomen, die zit in je lyrisch geheugen, is door een literair filter gegaan. En toevallig groeide ik op in een Marokkaans dorpje, dat ook nog eens buitengewoon geschikt is om een sprookjesachtige sfeer te creëren.

'Vooral ook omdat een van mijn hoofdthema's de ontluikende seksualiteit is. En hoe kan die beter worden geschetst dan in de context van een restrictieve, islamitische maatschappij?' De dertig dirham die de olijfplukkers in 'Lied in Labia Mineur' verdienden zijn, zo blijkt, bedoeld ter financiering van seksuele gunsten. De geile jongens worden om de tuin geleid, maar komen aan het slot van het verhaal toch aan hun gerief (bij een ezel). Bouazza: 'Zo'n verhaal kan zich toch niet in Amsterdam afspelen? Heel misschien vind je in de Achterhoek nog een gefrustreerd jongetje dat zich aan een varkentje vergrijpt.'

Evenals Bouazza probeert Ceren Taygun het allochtone hokje te vermijden. Ook zij greep de gelegenheid aan om te kunnen publiceren. Toen haar werd gevraagd bij te dragen aan Het land in mij, was haar eerste reactie: 'Goh, ze willen zien wat dit aapje allemaal wel niet kan.' Ze rebelleerde 'een heel klein beetje' en schreef een verhaal ('Regenweer'), waarin geen enkele naam voorkomt. 'Om te voorkomen dat het in een allochtone context wordt geplaatst', verklaart ze. 'Ik schrijf over hij en zij en schoonmoeder.' 'Regenweer' heeft ook een universeel thema: man bedriegt vrouw, die dat door heeft en samen voeren ze een doorzichtig theaterspel op, waarin de naïeve schoonmoeder een ontregelende factor is.

Taygun's theaterstukken hebben eveneens een algemeen thema. Nergens verwijst ze naar haar Turkse achtergrond. Toch heeft zij haar hele kindertijd in Turkije doorgebracht. Tot haar elfde woonde ze in Istanbul, waar ze in 1974 werd geboren. Haar moeder (nu artistiek leider van de Toneelschool Amsterdam) vluchtte in 1980 via Duitsland naar Nederland. Haar vader, politiek geëngageerd theater-regisseur, werd gearresteerd en zat twee jaar in de gevangenis.

Zelf kwam ze in 1985 naar Amsterdam, volgde de laatste klas van het lager onderwijs aan de Nicolaas Maesschool, waar ze de enige buitenlander was. 'Dat is een voordeel, je leert dan heel snel Nederlands.' Taygun leerde het zo snel, dat ze al op dertienjarige leeftijd een wedstrijd won die de theaterschool had uitgeschreven voor het beste scenario. De organisatie ontdekte dat ze veel te jong was om te kunnen deelnemen (ze kreeg de aanmoedigingsprijs). Maar enkele jaren later, toen ze de vereiste leeftijdsgrens had bereikt, deed ze weer mee en won opnieuw. Haar monoloog Goedenacht moeder (over een dochter die pas tot een eerlijk gesprek komt met haar moeder als deze in coma ligt) werd bekroond en tweemaal opgevoerd door Sigrid Koetse en Chris Nietveld.

Taygun, die nu rechten studeert, heeft een passie voor theater. 'Hoe kan het ook anders, mijn hele familie komt uit het theater.' Ze bewondert Tsjechov, Samuel Beckett en 'een heleboel dode schrijvers'. Ze zou zich ook willen toeleggen op het schrijven van scenario's, in het Nederlands en in het Turks. Laatst was haar vader, die nog in Turkije woont en inmiddels is hertrouwd, in Amsterdam. Samen met hem schreef ze enkele scènes voor een Turks theaterstuk. 'Mijn vader vroeg of ik Turkse vrienden had. Met een schok besefte ik toen dat ik die helemaal niet heb. Niet dat ik ze bewust mijd, maar ik kom ze gewoon niet tegen. Althans, niet de Turken met wie ik een behoorlijk gesprek zou kunnen voeren.'

Pas nu begint Taygun enige belangstelling te tonen voor haar Turkse achtergrond. Gediscrimineerd heeft ze zich nooit gevoeld, maar ze krijgt wel voortdurend Turken-moppen te horen. 'Over Turken die stinken. Dan zeggen ze er wel bij: jij bent niet zo. Maar als je daar 24 uur per dag mee wordt geconfronteerd, is dat buitengewoon irritant.' Binnenkort gaat ze voor het eerst naar een feest voor Turkse jongeren en haar droom is ooit een Turkse familieroman te schrijven. 'In de trant van Honderd jaar eenzaamheid van Márquez, over mijn Turkse familie, die heel uitgebreid is. Dat verhaal moet eindigen met mijn oma, die helemaal alleen achterblijft in een immens groot huis.'

Malika Al Houbach ging nog een stap verder dan Taygun. Ze negeerde niet alleen haar achtergrond - ze is in 1969 in Takad, een dorpje bij Agadir, geboren -, maar verdoezelde deze bewust. Ze kwam op tweejarige leeftijd naar Nederland, 'deed' de kleuterschool op het Zeeuwse eiland Tholen, ging naar de lagere school in Brabant en liep op zestienjarige leeftijd van huis weg. Al Houbach wilde niet als traditionele Marokkaanse opgroeien, vroeg trouwen en kinderen krijgen.

Na een opleiding aan de Hogeschool van Amsterdam en een korte carrière in Utrecht als hulpverleenster in een crisisopvangcentrum voor jongeren, besloot ze te gaan trekken door Latijns Amerika. 'Daar ging ik beseffen dat er meerdere realiteiten bestaan, niet alleen de Marokkaanse of Nederlandse. Hier moest ik altijd aan tegengestelde verwachtingen doen, aan die van mijn familie en van mijn Nederlandse vrienden. Ik had voor de Nederlandse identiteit gekozen, maar toen ik terugkwam ben ik mijn Marokkaanse wortels gaan cultiveren.'

Ze wijst op de vensterbank, waar allerlei Marokkaanse attributen staan uitgestald. 'Die heb ik in die periode gekocht.' Nu heeft ze een soort evenwicht bereikt en koestert ze haar 'dubbele identiteit'. In haar werk komt haar positie, 'op het kruispunt van twee culturen', ook sterk tot uitdrukking. Ze schrijft poëzie, 'zwaarmoedige gedichten die eigenlijk alleen geschikt zijn om te worden voorgedragen', theaterstukken en journalistiek getinte verhalen. Ze schuwt de confrontatie niet. Voor een van haar verhalen, gepubliceerd in Contrast, lokte ze de rechtse extremist Wim Vreeswijk naar haar huis. In een ander verhaal vergelijkt ze een Nederlandse hammam (vrouwenbadhuis) met een die ze in haar geboortedorp bezocht (het groezelige Marokkaanse badhuis heeft haar voorkeur).

Volgende week gaat Al Houbach naar de notaris om haar eigen bedrijfje Mamimou (Multiculturele mediaprodukties) te laten registreren. 'Ik wil alle culturen in Nederland, inclusief de Nederlandse, vertegenwoordigen en actief zijn in diverse culturele genres en in alle media: film, literatuur, theater, televisie, radio. Een dergelijke samenwerking is hard nodig om in Nederland werkelijk iets multicultureels van de grond te krijgen.'

Al Houbach heeft een missie; Taygun wil vooral actief zijn in het theater en droomt van haar Turkse familieroman; Bouazza hoopt ooit voldoende afstand te kunnen nemen van Amsterdam om ook over Nederland een magische roman te schrijven.

Drie 'allochtone' stemmen, alle drie anders, die - ondanks het hevige verzet van tenminste twee van hen - onmiskenbaar deel uitmaken (of zullen uitmaken, ze moeten het nog bewijzen) van een migrantenliteratuur. Juist vanwege hun achtergrond. Daarmee is niet gezegd dat ze niet meer dan ingrediënten zijn voor een allochtone soep en alleen kunnen worden beoordeeld in een etnisch kader.

'Dan zou mijn werk beschouwd moeten worden in de context van de Arabische cultuur, of de Arabische cultuur in Nederland', gruwt Bouazza. 'En wat is dat dan wel, de Arabisch-Nederlandse cultuur? Eten met de hand, schoenen bij de deur, schilderij met moskee aan de wand? Als dat cultuur is, dan is het daar slecht mee gesteld.'

In 'Other' Words, literatuur in een veranderend Europa. Op 8, 9 en 10 september in Het Soeterijn, Tropeninstituut, Amsterdam. Aanvang: 8 september 20.30 uur, 9 september 20.00 uur, 10 september 15.00 uur(kinderprogramma).

Crossing Border Festival, Spoken Word & Music. Op 15, 16 en 17 september, Theater aan het Spui en Filmhuis, Den Haag. Aanvang: 20.30 uur.

Meer over