Kijken naar mooi, mooier, mooist

'Zie je hoe mooi die combinatie is?' Hij wijst naar de apsis van het afgeschermde koor, waar het videowerk Washing Hands Abnormally (1996) van Bruce Nauman opgesteld staat - náást het witmarmeren praalgraf van Michiel de Ruyter....

'Meneer Fuchs, kunt u even komen kijken?', roept een medewerker vanuit het bakje van een hijskraan. Het graf heeft verlichting nodig. 'Rood of paars?' Het wordt rood, een warme gloed glijdt over de gebeeldhouwde zeeheld. 'Je moet die Michiel de Ruyter wat artificiëler maken, anders valt hij niet op', verduidelijkt Fuchs. Want die 'De Ruyter' is ook een beeld en hoort er dus bij.

Deze zomer heeft het Stedelijk Museum in Amsterdam een deel van zijn beeldencollectie ondergebracht in de Nieuwe Kerk. Rudi Fuchs, directeur van het Stedelijk en samensteller van de tentoonstelling Stedelijk Museum in de Nieuwe Kerk I. Beelden 1947-2002 Sculpture wandelt, daags voor de opening, door de oorspronkelijk gotische kathedraal.

Tien jaar geleden organiseerde Wim Beeren, de toenmalige directeur van het Stedelijk, al een soortgelijke tentoonstelling. Het Beeld van de Eeuw toonde hoogtepunten uit de verzameling twintigste-eeuwse beeldhouwkunst van het museum, waarbij Ushering in Banality van Jeff Koons (drie engeltjes die een roze varken voortduwen) uit 1988 het sluitstuk vormde.

Nu, op de tentoonstelling die Beerens opvolger Fuchs tien jaar later in de Nieuwe Kerk samenstelde, is dat beeld van Koons opnieuw aanwezig, zij het in een andere context. Fuchs maakte, samen met conservator Jan Hein Sassen, een selectie van na 1947 tot nu, maar zijn tentoonstelling is nadrukkelijk géén overzicht van de beeldhouwkunst tot nu toe.

Veel meer gaat het nu om inspiratie, om het kijken en vergelijken van de beelden, om het aanwijzen van overeenkomsten door de tijd heen. Om bijvoorbeeld te zien hoe de kitsch van Koons in 1993 gezelschap heeft gekregen van een oranje kangoeroe van Rob Birza. Of hoe Karel Appel, die nu tachtig is, 'nog steeds meebeweegt'.

'We hebben een keuze gemaakt uit alle beelden die de laatste tien jaar onder mijn zogenaamde ''bewind'' zijn aangekocht', vertelt Fuchs. 'Vervolgens hebben we die keuze aangevuld met beelden die we bij de kerk vonden passen. Het is dus geen overzicht, maar een doelgerichte verzameling van standpunten.' Er schuilt geen ingewikkelde theorie achter de tentoonstelling. 'Je komt hier kijken naar dingen die je mooi, geheimzinnig of interessant vindt.'

Het licht schijnt door gebrandschilderde ramen van de Nieuwe Kerk over de kunstwerken die hierbinnen opgesteld staan. Ze hebben allemaal hun plek gevonden, de één overtuigender dan de ander. In het koor, vlakbij de wassende handen van Nauman, staan de drie zwartglanzende kubussen van Sol LeWitt (Black Cubes, 2000) wat onwennig op de oneffen stenen vloer.

Maar de andere kunstwerken in het koor zijn 'af'. De combinatie van de video Pietà (1992) van Erzsébet Baerveldt, waarin tegen de achtergrond van een armoedig pleintje een vrouw een pop van klei probeert te repareren, met de Washing Hands van Nauman is wonderschoon.

Pietà en Washing Hands zijn niet de enige videowerken. Ook Gary Hills 'passage' van flikkerende televisieschermen, Primarily Speaking (1980-1983), is opgesteld. De keuze voor deze werken laat zich makkelijk verantwoorden: driedimensionale videowerken of videosculpturen zijn het, soms zelfs compleet met sokkel. Maar wat te denken van de video Setting a Good Corner (1999), eveneens een werk van Bruce Nauman? Hier is niets driedimensionaals aan te ontdekken, het is niet meer dan een projectie op de kerkmuur. Toch hoort ook dit werk bij de tentoonstelling, als je de theorie van Fuchs mag geloven.

'Ik heb nooit gedacht: ik ga een beeld kopen. Nee, ik kocht gewoon een kunstwerk en dat bleek dan een beeld te zijn.' Van pure beeldhouwers is volgens de museumdirecteur echter geen sprake meer. Rob Birza, Bruce Nauman, Roos Theuws, Jannis Kounellis, Jos Kruit - het zijn kúnstenaars. Kunstenaars die zich bezig houden met driedimensionaliteit; dat is misschien de beste omschrijving.

Setting a Good Corner toont een man die met uiterste precisie weidepalen de grond in drijft. Hij maakt dus eigenlijk een soort sculptuur. Maar voornamelijk is de handeling, zoals je in een tentoonstelling van Fuchs kunt verwachten, een metafoor voor het maken van kunst, ongeacht of die nu driedimensionaal is of niet.

In de lengte van het schip, tussen de deftige houten herenbanken en de overweldigende kansel van Albert Vinckenbrinck uit 1664 zijn de 'oudjes' opgesteld, veelal aangekocht in de perioden voor Fuchs.

Een grillige bronzen vrouw van Willem de Kooning (Seated Woman on a Bench, 1972-97) koekeloert naar haar twee overbuurvrouwen van de hand van Karel Appel (Buste de Femme, 1947 en Vogelvrouw, 1947). Een abstract beeld in contrapost van Fritz Wotruba (Staande figuur met geheven armen, 1956) maakt een lichte buiging richting de gehavende torso van L'orage (1947-48) van Germaine Richier.

'Deze bronzen beelden horen er absoluut bij. Niemand máákt ze meer op deze manier - in dat opzicht zijn ze niet actueel', zegt Fuchs. 'Maar wanneer je kijkt naar dat beeld van John Chamberlain', hij wijst naar C'est What (1991), een sculptuur van een in elkaar gedeukt en beschilderd autowrak, 'of naar de piepschuim-beelden van David Bade, dan zie je dat dat soort plastiek niet is verdwenen. En ook nooit zal verdwijnen'.

Hij loopt de rechter zijbeuk in, waar de kunstwerken zijn opgesteld als in een barokke tuin: van mooi naar mooier tot allermooist, een opsomming der delen waaraan zelfs de vergulde kroonluchters aan het plafond meedoen. Van Walter de Maria's zilveren ring op de grond naar de 'kathedraal' van elegant gekromde bronzen paardenbenen van Jos Kruit naar de houten man van Francisco Leiro, die vanaf deze afstand precies onder twee spits gebogen benen past, als was hij een beeld in een kerk.

Meer over