Kijk maar goed: de laatste schor

In de discussie over de verdieping van de Westerschelde trekt de natuur steeds aan het kortste eind. Wat blijft er over van het unieke Zeeuwse estuarium?...

Door Caspar Janssen Caspar Janssen

‘Dit is dus wat er over is van het Paulinaschor.’ Luciën Calle, ecologisch medewerker van Het Zeeuws Landschap, wijst op een minikweldertje, vanaf de dijk, een paar kilometer ten westen van Terneuzen. Honderd meter diep, tweehonderd meter breed, zo groot is het onbedijkte stukje drassige land in de Westerschelde dat hij aanwijst. Wat daar mis aan is? Drie luid piepende tureluurs vliegen ter illustratie voorbij. Calle: ‘Kijk, die zijn opgeschikt door die fietser daar. Broedvogels en overwinteraars die hier foerageren, hebben geen rust meer, zelfs niet op dit laatste stukje schor. Iedere keer worden ze verstoord en verbruiken ze kostbare energie met opvliegen.’

De schor ligt dus niet diep genoeg de Westerschelde in. En die tragiek zie je overal langs de 160 kilometer lange rivier die tot Gent loopt. Calle: ‘Het probleem is dat bijna alles hier in de loop der eeuwen is ingepolderd. Dan was er weer een stukje schor en werd er een dijk omheen gezet. In de laatste honderd jaar is op die manier driekwart van de estuariumnatuur verdwenen. Er zijn alleen nog kleine strookjes over.’

Achter ons zien we het voormalige schorrengebied De Mosselbanken. Calles ‘bewustzijn’ van de Westerscheldenatuur begon hier, zegt hij, toen dit gebied in de jaren zeventig werd ingepolderd voor industrie. ‘Dat was toen al omstreden. En je ziet: het terrein ligt veertig jaar later nog deels braak.’

Schelde-natuurdrama in een notedop. Calle: ‘Op die mosselbanken broedden visdieven. Na de inpoldering zijn ze daar uit nood blijven broeden. Totdat er bos kwam. Toen zijn ze uit nood naar een klein havengebiedje in Terneuzen gegaan. Daar waren ze niet te handhaven. Ten einde raad zijn ze gaan broeden op de daken in Terneuzen zelf. En ging iedereen klagen over de poepoverlast op de terrassen.’

Wanhoop
In de discussie over de verdieping van de Westerschelde dreigt opnieuw de natuur aan het kortste eind te trekken. Tot wanhoop van de echte kenners van het gebied. Zij raken niet uitgepraat over de uniciteit van het brak-water-estuarium, en de kwetsbaarheid ervan.

‘Dit zie je nergens meer in Europa’, zegt Luciën Calle. ‘Een getijdenrivier, met een geleidelijke overgang van zout, naar brak, naar zoet water. Met alle bijbehorende overgangen in vegetatie en diersoorten. In de riviermonding leeft de paarse strandloper, vanaf de monding tot halverwege zie je de drieteenstrandloper, en de kleine strandloper zie je alleen in het oostelijk deel. Zo subtiel liggen die overgangen.’

‘Slikken en schorren, dat is typisch Zeeuws landschap’, zegt ecoloog en Natura 2000-kenner Joop Schaminee. ‘Dit is pas Zeeuwse identiteit, al wordt dat vaak niet meer zo door Zeeuwen in deze tijd gezien.’

De Westerschelde is de laatste van de Nederlandse deltawateren waarbij sprake is van een open verbinding en een natuurlijke overgang van rivier naar zee. Uniek in Europa, qua aard en omvang. Een ‘meergeulig estuarium’ van deze omvang (42 duizend ha) bestaat nergens meer in Noordwest-Europa. Onmisbaar ‘laatste tankstation’ voor honderdduizenden vogels op weg naar Afrika. Voor maar liefst veertig soorten broed- en trekvogels is het gebied internationaal van groot belang.

Het gebied bestaat uit slikken (droogvallende platen in getijdengebied), zandbanken, schorren en een stelsel van vloed- en ebgeulen. Door de overgang van zout naar zoet, de variatie in waterdynamiek, hoogtes en bodemopbouw kent de Schelde-natuur een schat aan habitattypen en soorten.

Alleen: in de laatste, pakweg honderd jaar is het gebied stukje bij beetje verarmd door menselijk ingrijpen. Vervuiling, het inpolderen van buitendijkse delen voor de landbouw, het opspuiten van haven- en industriegebieden, het verdiepen en verbreden van de vaargeul voor de scheepvaart, het storten van baggerspecie, de druk van recreatie.

Gevolg: de Westerschelde is er slecht aan toe. Wel geniet het estuarium – mede daarom – op papier de nodige bescherming, nationaal en internationaal. Vorig jaar werd het estuarium Natura 2000-gebied, Europese topnatuur, wat in principe een garantie moet zijn voor toekomstige bescherming. Vooral in verband met die ‘tankstationfunctie’ voor trekvogels.

In de praktijk is er de gegronde vrees dat de geplande derde verdieping (sinds 1970) van de vaargeul van de rivier het estuarium-systeem definitief gaat verstoren. Peter Herman, als Vlaams ecoloog verbonden aan het Nederlands Instituut voor Ecologie, is er in ieder geval niet gerust op. ‘Je ziet nu al dat het systeem zich uit zichzelf niet goed meer herstelt van alle afgravingen uit het verleden. Door weer een verdieping zal de typische estuariumdynamiek kunnen verdwijnen. Dan wordt dit een soort kanaal. Het water stroomt te hard, en er zal maar één geul overblijven. De belangrijke platen in de rivier worden te hoog, de geleidelijkheid verdwijnt.’

Dus, zegt Herman: ‘Je kunt niet eeuwig blijven verdiepen. Deze komende verdieping kun je niet meer terugdraaien, maar dit is wel het moment om voor de toekomst andere oplossingen te zoeken. Het ideaal is natuurlijk een gezamenlijke, Europese haven voor buitenproportioneel grote schepen.’

Herman parkeert zijn auto op de dijk even voorbij kerncentrale Doel, bij een hek dat de Prosperpolder afsluit. Hier, aan de Vlaamse kant, zijn de werkzaamheden voor ontpoldering al begonnen. Even verder grenst de polder, aan de Nederlandse kant, aan de bescheiden Hedwigepolder. Daar staan de protestborden fier overeind: ‘Stop de Groene Leugen’.

Nog even verder aan de Nederlandse kant begint het Verdronken Land van Saeftinghe, het enig overgebleven, aanzienlijke stuk schorren- en slikkenlandschap in de Westerschelde, de grootste schor van Nederland. De kreken in het uitgestrekte, met zeekraal en zeeaster begroeide gebied beginnen net weer vol te lopen met water. Een bruine kiekendief vliegt op, in de verte vaart een vrachtschip.

Natuurcompensatie
Peter Herman: ‘Het idee was om dit gebied te verbinden met de Hedwigepolder en de Vlaamse Prosperpolder. Ter natuurcompensatie voor de verdieping van de Westerschelde. Daar is jaren over onderhandeld tussen boeren- en natuurorganisaties en overheden. Er zijn wel tachtig alternatieven voor de ontpoldering van de Hedwigepolder onderzocht, maar keer op keer kwam dit als beste, meest logische en goedkoopste uit de bus. Maar toen begon het plaatselijke boerenverzet en kwam alles weer op losse schroeven te staan.’

Joop Schaminee, ecoloog in Wageningen en Nijmegen, is het met Herman eens: ‘Ik was zelf altijd erg onder de indruk van de verhalen over de watersnoodramp in Zeeland. Ik ben ermee opgegroeid. Maar de watersnoodramp wordt er nu als oneigenlijk argument bij gesleept. Zeeland wordt zeker niet onveiliger als het water wat meer de ruimte krijgt.’

Peter Herman kan er vooral niet over uit omdat het alternatief van het kabinet, dat door Vogelbescherming Nederland en de Zeeuwse Milieufederatie met succes is aangevochten bij de Raad van State, ‘het allerslechtste alternatief’ is, of beter: ‘geen alternatief’.

Het voorstel van het kabinet komt van de Zeeuwse Waterschappen: het ontwikkelen van schorren door het aanleggen van strekdammen in het estuarium. Herman: ‘Dat is inpolderen in plaats van ontpolderen. Dat is rampzalig.’ Want het estuarium wordt er kleiner door, de versteiling wordt bevorderd, de komberging wordt verkleind, en het getij word dieper het land in gedreven. Zo wordt het risico groter dat er nog maar één geul overblijft. De stroomsnelheid zal nog verder toenemen, het estuarium raakt verder uit evenwicht.

Peter Herman loopt weer terug in de richting van zijn auto. Hij groeide op in Doel, hij heeft het Westerscheldegebied sinds zijn jeugd zien veranderen. ‘Er was een tijd dat de Schelde zowat dood was, er zat door de vervuiling zowat geen zuurstof meer in. Ik heb eens op een internationaal congres meetresultaten laten zien. Men vroeg of ik me niet vergist had met de ammoniakwaarden.’ Twintig, dertig jaar duurde het herstel. In die tijd onderzocht Herman de dynamiek van de getijdenrivier, op vele manieren. Hoe de stroming de vegetatie en het bodemleven beïnvloedde bijvoorbeeld. En andersom: hoe de vegetatie de loop van het water weer veranderde. Zoveel jaren onderzoek, dat schept een band met die rivier, waarin hij tegenwoordig ‘een explosie van leven ziet’.

Net aan de Vlaamse kant wijst hij vanaf de dijk in de richting van de rivier. ‘Hier heb ik trouwens mijn eerste visarend gezien.’

Meer over