Kiezen wat je leuk vindt heeft het meeste nut

Met rechten kom je eerder aan het werk dan met een diploma van de kunstacademie, maar een duidelijk verband tussen studiekeuze en succes op de arbeidsmarkt is er niet....

Moet ik een leuke of een nuttige studie kiezen? Culturele antropologie of rechten 'waar je alle kanten mee op kunt'? Heeft het eigenlijk nog wel zin om te studeren, nu je de grachten kunt dempen met academici en hbo'ers?

Een diploma in het hoger onderwijs is nog steeds een begerenswaardig bezit, stelt de Amsterdamse hoogleraar onderwijssociologie dr. J. Dronkers. Inderdaad is de bul steeds minder waard geworden. Wie in 1956 afstudeerde, werd aan de poort opgewacht door geïnteresseerde werkgevers. Tegenwoordig blijven veel afgestudeerden een tijdje werkloos. Uiteindelijk accepteren velen een baantje beneden hun niveau. Maar de inflatie van geld maakt geld nog niet overbodig, zegt Dronkers. 'Integendeel, inflatie dwingt je steeds meer te verdienen.' Zo is het ook met diploma's. Een academicus is misschien minder goed af dan een academicus uit de jaren vijftig, gemiddeld verdient hij nog altijd meer dan mensen die niet naar de universiteit zijn gegaan.

Carrières zijn in hoge mate onvoorspelbaar, concludeert Dronkers in de bundel De pedagogische queeste (Wolters-Noordhoff). Slechts 40 procent van het maatschappelijk succes kan verklaard worden door studierichting, diploma's, het onderwijspeil van de ouders en intelligentie. De rest is afwachten.

Dronkers: 'De voorspelbaarheid van loopbanen lijkt wel op die van het weer in Europa. Op de korte termijn gaat het voorspellen vrij aardig, maar nooit perfect. Op de langere termijn wordt het echt moeilijk, ondanks een goed inzicht in een aantal belangrijke mechanismen.'

Hoewel er natuurlijk verschillen zijn - rechten zal altijd beter scoren dan de kunstacademie - is er geen eenvoudig verband tussen studiekeuze en succes. Vaak is het perspectief op de arbeidsmarkt sterk onderhevig aan conjuncturele schommelingen. Aan het begin van de automatiseringsgolf ontstond een grote vraag naar informatici. Steeds meer studenten kozen informatica, waardoor de markt verzadigd raakte. Het aantal studenten daalde, waarop wederom grote vraag ontstond. De arbeidsmarktprognoses van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) gaan dan ook niet verder dan vijf jaar, wat ongeveer overeenkomt met de gemiddelde studieduur. Wie nu aan een 'kansrijke' studie begint, moet dus maar afwachten of dat bij zijn afstuderen ook nog zo is.

Bovendien vinden tijdens de loopbaan sociale, economische en technologische veranderingen plaats. In 1965 had een socioloog nog uitstekende perspectieven. Sindsdien is het geloof in de maakbare samenleving en de heilzame werking van een omvangrijke gesubsidieerde sector aanzienlijk verminderd. Wie nu als 50-jarige socioloog wegbezuinigd wordt, zal nog maar moeilijk aan een nieuwe baan kunnen komen.

De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden in verschillende studierichtingen kan soms sterk vertekend worden, stelt Dronkers. Zo lijken studies met overwegend mannelijke studenten veel beter te scoren dan 'vrouwelijke opleidingen'.

'De zorg voor huishouden en kinderen is lastig te combineren met een volledige baan, waardoor gehuwde vrouwen in hoofdzaak deeltijdarbeid verrichten', betoogt Dronkers in De pedagogische queeste. Vaak wordt gesuggereerd dat alfa- en gamma-studies 'fout' zijn, in vergelijking met bèta-richtingen. Als men echter via statistische technieken corrigeert voor het geslacht van de student, verdwijnt dat verschil, aldus Dronkers.

Deze bevinding lijkt in strijd met elke intuïtie. Er bestaat toch een grote vraag naar technici en natuurwetenschappers en niet naar kunsthistorici?

'Toch komt het uit mijn berekeningen', zegt Dronkers. 'Maar je kunt het ook anders bekijken. Er zijn gescheiden arbeidsmarkten voor mannen en vrouwen. Als vrouwen techniek zouden studeren en daarna een zware fulltime-baan zouden willen doen, dan zou een bèta-studie inderdaad meer kansen bieden. Maar er zijn niet zo veel vrouwen die dat willen. Velen denken: als ik leerkracht wordt, of een andere alfa- of gamma-studie doe, heb ik veel meer kans om parttime-werk te doen.'

Welke conclusie moet een scholier trekken uit de relativerende opmerkingen van Dronkers? 'Ze moeten iets kiezen wat ze leuk vinden en waarvan ze het idee hebben dat ze er langere tijd goed in zijn. Dat heb ik mijn kinderen ook geadviseerd. En het is altijd gevaarlijk om iets te kiezen wat erg specialistisch is. Als je radiolampentechnologie hebt gedaan, ik noem maar iets, dan val je in een groot gat als de laatste lamp verdwijnt', aldus Dronkers.

Wie eenmaal studeert, is welhaast verplicht zijn cv te verfraaien met nevenactiviteiten, teneinde zich te onderscheiden van de massa. Daarbij komt het aloude lidmaatschap van de studentenvereniging, met name het corps, nog steeds goed van pas.

'Je kunt ook iets anders doen, bijvoorbeeld lid worden van de universiteitsraad. Daar doe je allerlei vaardigheden op, maar na een jaar is het weer voorbij. Aan een studentenvereniging houd je een netwerk van contacten over. Dat is het grote verschil met andere nevenactiviteiten', zegt Dronkers.

Welke studies bereiden de student inhoudelijk het beste voor op een tamelijk onvoorspelbare arbeidsmarkt? In elk geval niet de studies die zijn volgepropt met schijnbaar relevante algemene vakken, vindt Dronkers. Een beetje management, een beetje economie, een toefje informatica. Als een student veel van dergelijke vakken volgt, is de samenhang van de studie ver te zoeken, terwijl de aangeboden kennis snel veroudert.

'Studenten moeten worden getraind in vaardigheden en houdingen die nodig zijn om te leren leven met onvoorspelbaarheid. De gymnasiale opleiding is een goed voorbeeld van wat ik bedoel. Het leren van Latijn en Grieks heeft al ruim een eeuw nauwelijks nog een maatschappelijke betekenis en de meeste ex-gymnasiasten gebruiken die talen nooit meer. Blijkbaar word je door het leren van moeilijke dode talen impliciet getraind in belangrijke vaardigheden en attitudes: in dit geval het vermogen om een moeilijke, langdurige en zinloze taak tot een goed einde te brengen.'

Ondanks de sombere geluiden over diploma-inflatie is studeren nuttig voor het individu, blijkt uit Dronkers' statistische analyses. Niet alleen in economische zin. Door te studeren wordt men een aantrekkelijke partner voor een andere hoger opgeleide. En hoe hoger het niveau van de partner hoe voorspoediger de carrière verloopt, hoe beter de kinderen het op school doen, hoe gezonder men doorgaans is.

Dronkers heeft zich ook afgevraagd of studeren nuttig is voor de samenleving als geheel. 'Volgens het standaardgeloof draagt een goed opgeleide beroepsbevolking bij aan de groei van de economie. Maar als je dat probeert uit te rekenen, vind je dat nergens. Sinds 1970 is het opleidingsniveau voortdurend gestegen, terwijl het bruto nationaal produkt allerlei zwenkingen heeft gemaakt. Ook in het buitenland is nooit een rechtstreeks verband gevonden tussen economische groei en gemiddeld opleidingsniveau.'

Dronkers is voorzichtig in zijn conclusies. 'Het is niet zo dat ik zeg: kap maar flink in onderwijs, want het rendement is nooit aangetoond. In die val wil ik niet lopen. Maar het is mijn taak om zulke dingen uit te rekenen. Ik pleit alleen voor een goede discussie over het maatschappelijk rendement van onderwijs.'

Zo'n debat zou veel verhelderen. Politici putten zich uit in clichés over de 'kennismaatschappij', maar ondertussen twijfelen zij aan het belang van hoger onderwijs. Is het wel nuttig om zo veel te investeren, nu steeds meer academici de kost verdienen als secretaresse of bibliotheek-assistent? Die twijfel wordt zelden hardop uitgesproken, maar in alle westerse landen wordt driftig bezuinigd op studiefinanciering.

'Ik weet niet of er een grens is aan het nut van investeren in onderwijs. Maar ik vind dat deze kwestie eens goed doordacht en onderzocht moet worden. Mijn scepsis zegt wel dat de uitkomsten niet leuk zullen zijn.'

Meer over