Kiesstelsel niet gebaat bij districten

Invoering van een gematigd districtenstelsel is geen goede oplossing voor de kloof tussen kiezer en gekozene. Omar Ramadan schetst een alternatief voor de plannen van het nieuwe kabinet....

Het kabinet Balkenende II heeft niet alleen ongekende bezuinigingen in petto, maar ook één van de grootste wijzigingen van ons staatsbestel. Vorige week stuurden de informateurs een Hoofdlijnenakkoord naar de Tweede Kamer dat voorziet in een districtenstelsel. Dat is nogal wat. Er is decennia over gesproken, en nu komt het er dan eindelijk van.

Hoe het kiesstelsel precies gaat veranderen is nog onduidelijk. In ieder geval zal de evenredige vertegenwoordiging blijven bestaan en houden we 150 Tweede Kamerleden. Erg in trek is de manier waarop onze oosterburen stemmen, met één stem op een landelijke en één op een lokale kandidaat. Dat leidt echter tot een hoop gereken. Daarom wordt er ook gedacht aan een enkele stem op een lokale kandidaat, maar dan wel zo dat het totaal aantal landelijke stemmen op, bijvoorbeeld, het CDA uitmaakt hoeveel (lokale) christen-democraten in de Kamer mogen plaatsnemen.

Hoe het ook zij, nieuwe parlementariërs moeten goed nota nemen van het wel en wee in het district waar ze gekozen zijn. Dat lijkt mooi, maar is het niet. Er zijn drie goede redenen om tegen een districtenstelsel te zijn. Ten eerste zullen vrouwen en etnische minderheden moeilijker worden verkozen dan nu het geval is. Om in een kiesdistrict te winnen, zullen de meeste partijen blanke mannen naar voren schuiven. Die spreken kiezers meer aan dan een vrouw of allochtoon. Zie de VS en Groot-Brittannië.

Het gevaar van cliëntelisme is een tweede argument tegen een districtenstelsel. Een kloof tussen kiezer en gekozene is natuurlijk slecht, maar te nauwe banden ook. De volksvertegenwoordiger moet het algemeen belang nastreven.

Deze argumenten zijn even oud als de debatten over het districtenstelsel. En er valt ook wel wat op af te dingen. Veel belangrijker is de derde reden om Nederland niet op te delen in regionale kiesdistricten. Mensen in de directe omgeving delen niet per se dezelfde zorgen en dromen. Die tijd is nu echt voorbij. Tot en met de jaren zestig was dat anders. Toen moesten een katholieke Brabantse boer en een Rotterdamse havenarbeider er niet aan denken een Tweede Kamerlid te delen. Ze waren veel meer verbonden met de pastoor of met de plaatselijke vakbondsleider. Die onderhielden ook het contact met hun Haagse representanten van respectievelijk KVP en PvdA.

Die tijden zijn gelukkig voorbij. Het zou raar zijn om het land nu weer op te delen in regio's als West-Friesland, de Limburgse mijnstreek of Almere en omgeving. Ten tijde van de verzuiling had dat nut. Toen wist een Tweede Kamerlid uit Doetinchem in wat voor wereld Achterhoekers leven en wat voor wereld zij wensen. Nu is die garantie er niet.

Kritiek op een districtenstelsel is makkelijk, maar wat is het alternatief? Gelukkig is dat er in de vorm van het toestaan van electorale achterbannen zoals studenten, natuurbeschermers en fervente autorijders. Amsterdammers stemmen immers niet uitsluitend op hoofdstedelijke volksvertegenwoordigers en de inwoners van de Peel niet louter op politici uit hun streek. Een thuiswonende studente uit de Peel wil haar belangen wellicht laten vertegenwoordigen door een gelijkgestemde studentenleider uit Amsterdam. En een verontruste consument uit de hoofdstad ziet zijn zorgen misschien het beste vertolkt door een ecologische boer uit de Peel. In het kleine Nederland zijn velen mobiel en neemt virtueel contact hand over hand toe.

Het is niet moeilijk om dit alternatief voor het districtenstelsel in te voeren. Het landelijke aantal stemmen kan de zetelverdeling tussen de partijen bepalen. Welke kandidaten uiteindelijk worden verkozen, hangt af van de persoonlijke campagne. Het gaat er dan eenvoudig om wie de meeste stemmen haalt. Sommigen zullen die achterban om en nabij hun geboortegrond of woonstek vinden. Anderen zullen kiezers overtuigen op grond van hun beroep, leeftijd of met een inhoudelijk verhaal. Dat laatste is het mooiste.

De gedeelde zorgen van kiezer en gekozene gaan dan bijvoorbeeld over het wel en wee van studiebeurzen, mestquota of de rol van de VS in het Midden-Oosten. Forensen die zich dagelijks opwinden over het falen van de Nederlandse Spoorwegen verkiezen een Kamerlid dat die opwinding deelt en oplossingen biedt. En mensen die zich zorgen maken over volle klaslokalen en wachtlijsten zoeken naar politici die net zo'n oog hebben voor onderwijs en gezondheidszorg.

Het kan dat deze politici om de hoek wonen, maar dat hoeft niet. Het buurtcafé kan inderdaad een goed politiek forum zijn, maar de discussiesite van een beroepsgroep ook. Bovendien komen in dit systeem vrouwelijke en allochtone kandidaten sneller aan de bak omdat hun kiezers vaak regionaal verspreid zijn over verscheidene regio's.

De conclusie is dat het electoraat meer moet kunnen zijn dan een verzameling plaatsgenoten. Het zijn ook mensen die een beroep uitoefenen, kinderen hebben, aangewezen zijn op gezondheidszorg of om het milieu geven. Dat zijn allemaal criteria voor het vormen van een achterban, net als een sterke regionale verbondenheid. Het is nog niet te laat om dit alternatief voor het 19de-eeuwse districtenstelsel in stelling te brengen.

Meer over