Kerst bij de familie Buddenbrook

Toen honderd jaar geleden zijn indrukwekkende familieroman Buddenbrooks verscheen, werd Thomas Mann voor 'nestbevuiler' uitgemaakt, zo herkenbaar had hij de inwoners van Lübeck geportretteerd....

door Jan Luijten

WIE VANUIT het noorden, dus vanaf de Oostzee, Lübeck nadert, ziet als eerste het Burgtor, de hoge, massieve stadspoort uit de vijftiende eeuw, die wordt gekroond door een barok helmdak. Als je je ogen sluit en de auto's even vergeet, kun je je voorstellen dat hier, bij deze poort, de koets rijdt, waarmee in 1845 de ongelukkige Tony Buddenbrook naar huis terugkeert vanuit Travemünde, waar ze de liefde had leren kennen.

De koets rijdt door de Burgstrasse, over de Koberg met het oude Heilige-Geist-Hospital, vervolgt zijn weg door de Breite Strasse en draait de Mengstrasse in. Daar stopt hij voor een groot huis met een imposante gevel. Het is het huis van de voorname familie Buddenbrook. Tony's vader is een welgestelde koopman en reder, maar ook een patriarch die zijn dochter dwingt om terwille van het vermogen van de firma en het aanzien van de familie met de Hamburgse koopman Bendix Grünlich te trouwen.

Met de jonge Tony - die buigt voor de strenge, burgerlijke conventies van haar tijd, waarin iedereen zich bewust was van zijn status en stand, de familie alles betekende en elk familielid een 'schakel in een lange keten' was - begint de roman waarmee Thomas Mann in 1929 de Nobelprijs voor literatuur won. Buddenbrooks, een van de beroemdste Duitse boeken, De Buddenbrooks in het Nederlands, verscheen in 1901, nu honderd jaar geleden. Het is de roman, waarin Thomas Mann de negentiende-eeuwse werkelijkheid van Lübeck, zijn Noord-Duitse geboortestad, heeft verheven tot literatuur, en daarmee voor vergetelheid heeft behoed.

In het Lübeck van 2001 wordt de literatuur weer werkelijkheid. De genoemde straten bestaan echt en Lübeck, ofschoon tijdens de oorlog zwaar beschadigd, vertoont hier en daar nog de uiterlijke kenmerken van een oud en rijk verleden. De hanzestad, gelegen aan de rivier de Trave, was eens een vrije rijksstad, een stadstaat, waar rijke kooplieden in het machtige raadhuis met zijn slanke torentjes de dienst uitmaakten. Vroom waren ze ook, getuige de vijf monumentale, gotische kerken, opgetrokken uit rode bakstenen, in de oude binnenstad.

Met de roman in de hand kan een vreemdeling zijn weg in Lübeck vinden, althans hij wordt een eindje op weg geholpen. Zo noemt Mann de Glockengiesserstrasse. Als men die straat wat nauwkeuriger bekijkt, dan blijkt dat zich achter de zichtbare huizen een tweede woon- en leefwereld verschuilt. Om die te bereiken moet men poorten en smalle gangetjes door. Zij geven toegang tot de Stiftshöfe, hofjes waarin vroeger arme weduwen en bejaarden werden ondergebracht, en tot de Wohngänge, waar vroeger de armen huisden.

Deze vaak fraai gerenoveerde hofjes en gangen vormen een oase van rust en vrede in een stad die gonst van de drukte, want het wordt Kerstmis en dat steekt Lübeck niet onder stoelen of banken. Overal zijn markten. Duizenden mensen drommen samen in het eerbiedwaardige Heilige-Geist-Hospital, op het plein voor het oude raadhuis en in de Breite Strasse om de kramen met kerstversiering te bekijken, wellicht het een of andere houten figuurtje te kopen, of om zich te goed te doen aan wafels, brood met worst, Glühwein of bier. Dit is ook een feest van eten en drinken en, niet te vergeten, snoepen. In de Breite Strasse, tegenover de uiterst fraaie, overdekte buitentrap van het raadhuis, wordt de met veel rood en goud versierde winkel van Niederegger bestormd. Hier wordt de in Duitsland zeer bekende Lübecker Marzipan verkocht.

De bescheiden wereld van de Wohngänge en de Stiftshöfe is niet de wereld van de roman Buddenbrooks, waarvan de ondertitel luidt: Verfall einer Familie.

In het boek schildert Thomas Mann op indrukwekkende wijze verval en ondergang van de firma en familie Buddenbrook. Het verhaal begint in 1835 - de familie heeft zojuist het statige pand aan de Mengstrasse betrokken en de firma bevindt zich op een hoogtepunt in zijn bestaan. Maar algauw begint er iets te veranderen. Tony wordt uitgehuwelijkt aan een bedrieger, haar vader sterft en wordt opgevolgd door haar oudste broer Thomas. Tussen Thomas en zijn broer Christian, een zwakke, extraverte en wat losbandige figuur, ontstaan steeds meer spanningen.

Thomas maakt ogenschijnlijk carrière - hij wordt gekozen tot senator en behoort daarmee tot de exclusieve kring van mannen die de stad besturen. Maar hij voelt zich steeds minder opgewassen tegen zijn vele taken. Hij begint aan zichzelf te twijfelen en wordt depressief. Zijn optreden als ondernemer en senator wordt een rol die hij steeds moeilijker kan spelen. Zijn zoon Hanno is een zachtaardige jongen met een zwakke gezondheid en een passie voor muziek, die hij van zijn moeder heeft meegekregen. Die zal hem nooit kunnen opvolgen in de firma. Als Thomas Buddenbroek sterft, wordt het handelshuis geliquideerd. Kort daarna gaat ook, in 1877, de jonge Hanno dood.

Thomas Mann schreef zijn boek tussen 1897 en 1900. Toen hij er, in Italië, aan begon, was hij 22, een jonge man die terugkijkt op een eeuw die bijna voorbij is. Hij laat zijn verbeelding los op datgene wat hij kent: het sociale leven van een patriciërsfamilie en hij verdiept zich in de psychologie van zijn hoofdpersoon: Thomas Buddenbrook.

Wat hij ziet, speelt zich af tegen de achtergrond van de grote politieke en maatschappelijke veranderingen die zich in de negentiende eeuw in Duitsland voltrekken: de mislukte revolutie van 1848, de oorlogen die leiden tot de Duitse eenheid en het door Pruisen gedomineerde Duitse keizerrijk, waarin de oude burgerlijke waarden van eerlijkheid, oprechtheid, van vertrouwen in God minder belangrijk worden. Geld wordt dé maatstaf voor succes en aanzien. De 'usances' in het zakenleven, zo verklaart Thomas Buddenbrook zijn moeder, zijn veranderd. 'De lijn tussen usance en het echt slechte is zeer moeilijk te trekken.'

Mann brengt die veranderingen eerder terloops ter sprake. Zo speelt het laatste deel van de roman zich ten dele af in het gymnasium, waar een nieuwe rector is gekomen, en daarmee ook een 'nieuwe geest in de oude school'. Thomas Mann schrijft: 'Waar vroeger het onderwijs in de klassieken had gegolden als een vrolijk doel op zichzelf, dat men met innnerlijke rust en opgewekt idealisme volgde, daar waren nu de begrippen autoriteit, plicht, macht, dienst, carrière hoogst belangrijk geworden.'

Buddenbrooks is daarom slechts ogenschijnlijk een roman over het verval van een familie. Het is ook een roman over het verval van de negentiende-eeuwse burgerlijke familie, een roman over een verloren tijd. In 1926, toen het boek een groot succes was geworden, ook buiten Duitsland, zei Mann: 'Men gaat uit van het persoonlijke en is verrast het nationale te hebben getroffen. Men gaat uit van het nationale - en zie men heeft het algemene en menselijke getroffen - met veel meer zekerheid getroffen dan waneer men zich van het internationalisme als programma zou hebben bediend.'

WIE IN deze kersttijd met Buddenbrooks in zijn hoofd door Lübeck wandelt, zal nog meer moeite hebben om werkelijkheid en fictie uit elkaar te houden dan gewoonlijk al het geval is, want ook in de roman komt Kerstmis uitvoerig aan bod. Je leest er: 'In de etalages prijken de kerstdecoraties. Rondom de hoge gotische waterput op het marktplein waren de bonte attracties van de kerstmarkt opgesteld. En waar men ging, ademende men met de geur van de te koop aangeboden dennenbomen het aroma van het feest in.'

Dennenbomen staan pal tegenover het Buddenbrookhaus aan de Mengstrasse. Ze begrenzen het Märchenwald, een kerstmarkt voor kinderen met oude sprookjes, opgezet tegen de muren van de Marienkirche. De wereld van het kind en de wereld van de familie Mann liggen in deze kersttijd dicht bij elkaar, want dit Buddenbrookhaus is het oude huis van de familie Mann. De schrijver heeft het een grote rol gegeven in zijn roman, zoals hij er ook zijn eigen familie een plaats in gaf en tot literatuur maakte. Het huis is men gaan noemen naar de roman. In 1993 werd hier het Heinrich-und-Thomas-Mann-Zentrum gevestigd en sinds de heropening in juni 2000 heeft het een nieuwe permanente tentoonstelling: Die 'Buddenbrooks' - ein Jahrhundertroman. Daarbij wordt niet alleen het verhaal verteld van het ontstaan en de ontvangst van de roman, maar wordt ook de roman zelf zichtbaar of, zoals in Lübeck wordt gezegd, 'begaanbaar' gemaakt.

Twee vertrekken zijn ingericht zoals Thomas Mann ze heeft beschreven. En nu is zelfs een van die vertrekken ingericht zoals het was tijdens Kerstmis bij de familie Buddenbrook. '. . .en terwijl allen eensgezind O Tannenbaum begonnen te zingen en oom Christian de kinderen aan het lachen maakte door bij het marcheren als een marionet zijn benen te bewegen en onnozel O Tantebaum te zingen, trok men met schitterende ogen en een glimlach op het gezicht door de wijd geopende hoge vleugeldeuren direct de hemel binnen. De hele zaal, vervuld van de lucht van verschroeide dennentakken, straalde en glansde door talrijke kleine vlammen, en het hemelblauw van het behang met de witte godenbeelden deed de grote ruimte nog lichter lijken.'

De fictie is weer tot werkelijkheid gemaakt, inclusief het poppentheater dat de kleine Hanno ten geschenke krijgt.

Eenmaal in die beide kamers heeft men vrijwel het einde van de expositie bereikt. Die begint overigens niet met Buddenbrooks, maar met de familie Mann, met het moment, in 1790, waarop Johann Siegmund Mann in Lübeck een handelsfirma begon. Zijn zoon koopt in 1842 het huis in de Mengstrasse, het latere Buddenbrookhuis. Het derde hoofd van handelshuis en rederij is Thomas Johann Heinrich Mann. Hij huwt met Julia da Silva-Bruhns, die deels van Braziliaanse afkomst is en van muziek houdt. Zijn wonen in de Breite Strasse en later in de Beckergrube. De koopman wordt in 1877 tot senator gekozen. Ze krijgen vijf kinderen: Heinrich, Thomas, Julia, Carla en Viktor. Ook senator Mann heeft geen opvolger, want Heinrich en Thomas willen schrijver worden. Na zijn dood in 1891 wordt het handelshuis geliquideerd en verhuist moeder Julia naar München.

ANDERS DAN in de roman gaat de familie Mann niet ten onder, integendeel. Pas na het vertrek uit Lübeck wordt de familie Mann beroemd - door de romans van Heinrich (onder meer Der Untertan en Professor Unrat), en vooral door de boeken van Thomas Mann (Buddenbrooks, Der Zauberberg, Doktor Faustus), maar ook door de veelzijdig begaafde oudste kinderen van Thomas Mann: Erika, Klaus en Golo Mann. Dat voor deze bijzondere familie ook nu nog veel belangstelling bestaat, bewijst het aantal bezoekers aan het Buddenbrookhuis - sinds de heropening vorig jaar ruim honderdduizend - en het driedelige docudrama Die Manns, waarvan vanavond het laatste deel op de Duitse tv wordt uitgezonden.

De belangstelling voor de familie Mann heeft verschillende redenen. Allereerst is er natuurlijk het werk, de kunst, maar daarnaast is er ook het leven, een waarlijk bewogen leven, met tragische momenten. Een Duits leven ook, dat wordt overschaduwd en beïnvloed door de politieke ontwikkelingen, door oorlog, geweld en een gruwelijke ideologie.

Bij de twist tussen Heinrich en Thomas in de jaren van de Eerste Wereldoorlog gaat het om twee uiteenlopende levensbeschouwingen - West-Europese beschaving, democratie en vooruitgang, belichaamd door de politieke auteur Heinrich, versus Duitse cultuur, het reactionaire keizerrijk, nationalisme, verdedigd door de apolitieke schrijver Thomas. In de jaren twintig kwam de verzoening, doordat Thomas van mening veranderde. Hij ging de democratische republiek van Weimar verdedigen en koos de zijde van de sociaal-democratie tegen het nationaal-socialisme.

In 1933 hebben de nazi's de Manns uit Duitsland verdreven. Thomas Mann, zeer gehecht aan de Duitse cultuur en zijn vooraanstaande positie daarin, had drie jaar nodig om aan zijn ballingschap wennen en die te aanvaarden. Heinrich, Erika en Klaus Mann trokken onmiddellijk tegen het nationaal-socialisme ten strijde. Thomas Mann zweeg drie jaar, tot verdriet en ergernis van zijn kinderen. Maar in 1936 keerde ook hij zich tegen de nazi's en werd hij de stem van het andere, fatsoenlijke Duitsland. In 1938 sprak hij in New York de beroemde woorden: 'Waar ik ben, is Duitsland.'

In Lübeck werd Buddenbrooks na verschijnen gelezen als een sleutelromen, zo wordt in het museum verteld. Er werden lijstjes gemaakt van personen die in de roman voor zouden komen en veel bewoners van de stad waren not amused. Thomas Mann werd uitgemaakt voor 'afvallige' en 'nestbevuiler'.

Hij schreef daarop: 'Toen ik begon te schrijven aan Buddenbrooks, woonde ik in Rome, Via Torre Argentina tranta quatro, drie hoog. Mijn vaderstad had niet veel realiteit voor me, u kunt me geloven, ik was van haar bestaan niet erg overtuigd. Ze was voor mij, met haar ingezetenen, niet wezenlijk meer dan een droom, vreemd en eerbiedwaardig, eens gedroomd, gedroomd door mij en op de meest zonderlinge wijze mijn eigen. Drie jaar lang heb ik trouw en ingespannen aan het boek gewerkt. En was hoogst verbaasd toen ik hoorde dat het in Lübeck opzien had gebaard en kwaad bloed gezet. Wat heeft het werkelijke Lübeck van nu met mijn in driejarige arbeid opgebouwde werk te maken?'

Niets. Want hij was kunstenaar geworden. 'Het gaat helemaal niet over jullie, zij getroost, maar over mij, over mij', liet hij de hanzestad nog weten.

In 1926, toen hij in Lübeck een lezing hield, bekende hij niettemin als kunstenaar Lübecker te zijn gebleven. 'Kunstenaarschap is iets symbolisch. Het is het opnieuw verwezenlijken van een geërfde en door het bloed overgeleverde bestaansvorm op een ander niveau.' Want 'men houdt niet op dat te zijn wat de voorvaderen waren'. En dat betekent dat Lübeck 'als stad, als stadsbeeld, als stadskarakter, als landschap, taal, architectuur (. . .) in mijn hele werk te vinden is'.

Na de oorlog is Thomas Mann niet naar Duitsland teruggekeerd, althans niet om er te wonen. 'De kloof tussen de emigrant en zijn voormalige vaderland kon niet meer overbrugd worden, ook niet door nog zoveel eerbewijzen', schrijft Hermann Kurzke in zijn in 1999 verschenen biografie.

Thomas Mann stierf in 1955. Enkele maanden voor zijn dood was hij nog in Lübeck. De stad had hem weliswaar tot ereburger benoemd, maar van een echte verzoening kon geen sprake zijn. De gemeenteraad had het besluit met algemene stemmen genomen, zo wordt in Lübeck gezegd, maar voordat het zover was, had bijna de helft van de raadsleden de raadzaal verlaten.

In de grote zaal van het raadhuis keerden Manns gedachten terug naar zijn vader, de senator, die hier had gewerkt en had willen verhinderen dat zijn zoons schrijver zouden worden. 'Ik kan wel zeggen: zijn beeld heeft bij al mijn doen en laten steeds op de achtergrond gestaan, en steeds heb ik het betreurd dat ik hem tijdens zijn leven zo weinig hoop kon geven dat uit mij in de wereld toch nog iets belangrijks zou worden.'

Meer over