Kermis in de hel

NIJVERE Kuifje-vorsers hebben onlangs aan het licht gebracht dat de onsterfelijke Hergé in hoge mate schatplichtig is geweest aan de gravures in de boeken van Jules Verne....

In literatuur is het verwijzen naar bewonderde of verguisde dichters natuurlijk al millennia gebruikelijk, maar vooral sinds Ezra Pound en James Joyce kijkt niemand er meer van op indien de citaten in het nieuwe kunstwerk een functie krijgen die helemaal niets meer met de oorspronkelijke context te maken heeft. Willem Brakman is zo'n auteur die doorlopend citeert om het citeren, maar ook Anneke Brassinga heeft de neiging haar poëzie met min of meer loze echo's te overladen. Als we hun handelwijze vergelijken met wat Hergé heeft gedaan, zouden we bijna in de verleiding komen hem een postmodern kunstenaar te noemen.

Of het nu gaat om citaten of om zelfbedacht materiaal, veel kunstenaars passen een assemblagetechniek toe waarbij elementen uit zeer verschillende omgevingen bij elkaar gebracht worden. In de beeldende kunsten heeft men daarmee meer ervaring dan in de literatuur, hetgeen misschien komt doordat lezers sterker dan museumbezoekers de behoefte hebben te interpreteren wat ze onder ogen krijgen. Een onbegrijpelijk schilderij is tot daaraan toe, een ondoorgrondelijk boek legt men weg.

De gedichten in De papegaaienziekte van de Vlaming Paul Demets zijn, ook als je bereid bent voor ieder gedicht een half uur uit te trekken, bij eerste lezing volslagen ontoegankelijk. Elementen uit totaal verschillende werelden staan broederlijk naast elkaar in volop rijmende reeksen gedichten die er als sonnetten uitzien. De enige handreiking die de dichter biedt, is een bladzijde met aantekeningen waar je ook al weinig mee opschiet. Wel wordt daar opgehelderd dat de titel van de bundel verwijst naar een episode uit Kuifje in Afrika, waar Bobby ten gevolge van een schermutseling met een papegaai de gevreesde ziekte oploopt. In Demets' bundel lijkt deze kwaal echter niet voor te komen. Ook Bobby wordt niet genoemd, tenzij het trouwe dier mede aanwezig is in Jules Verne's Wachter, die in het tweede gedicht een baan in het heelal schrijft.

De eerste reeks van tien gedichten heet 'Van onze man' en zou gelezen kunnen worden als een serie reportages van onze correspondent in Afrika, Kuifje dus. De beste manier om greep op deze bundel te krijgen is een poging te doen een van de gedichten een heel klein beetje te ontrafelen. Een moeilijk boek lokt een moeilijke bespreking uit: de lezer is gewaarschuwd.

In het derde gedicht komen alle kenmerken van Demets' poëzie samen. Dit is het octaaf:

De bush van het stratenplan dwaalt door

de stethoscoop. Zo het zich verweert

tegen de stam, het zich afstroopt in de gedaante

van een hand. Maakt de druppels

tot respijt. Langs de draden heeft het zich al

ingezet: in kermis in de hel tot de lichtste

vlekken van je pels. Verplaatst een tak

in bladerdak dat zand heeft bijeenge spaard.

Een tropenarts met een stethoscoop heeft hier de plaats ingenomen van de journalist met zijn camera of de ontdekkingsreiziger met zijn verrekijker. Stad en oerwoud vallen in de eerste regel samen, maar wat we waarnemen is niet een dier dat door de jungle struint, het is het landschap zelf dat aan de wandel is en zich verweert tegen oorlogszuchtige stammen. In de derde regel gedraagt het stratenplan zich als een slang die vervelt of als een stroper die zichzelf te grazen neemt, welk beeld samenvalt met dat van de dokter die zijn operatiehandschoentjes uittrekt. Dit in elkaar over laten lopen van verschillende niveaus, van subject en object, is iets wat Paul Demets in al zijn gedichten doet.

In de tweede strofe wordt ineens iemand, misschien een katachtig roofdier, aangesproken. Maar de vlekken op zijn of haar huid kunnen ook veroorzaakt zijn door zonlicht dat door de bladeren heenvalt. De uitdrukking 'kermis in de hel', dat wil zeggen een weertype waarbij het regent terwijl de zon schijnt, is typerend voor Demets' behoefte het onverenigbare met elkaar te verbinden.

Na deze acht regels volgt een heuse wending, want de spreker betrekt de oerwoudscène op zichzelf:

Ik wil geurspoor, maar wat je daar verklaart

kan op poezenvoeten lopen, geen touw vastknopen

aan je handel en wandel. Een uitgele zen

kans. Is de berichtgeving, strak

gespannen in het beeld. Die glimt is die

zich door de verkeerde beweging ziet verdeeld.

De draden uit het tweede kwatrijn komen terug in het touw dat op ongrijpbaarheid wijst, de handel en wandel vormen een echo van de eerste strofe. Het touw - in de bundel komen trouwens erg veel draden, lijnen en touwen voor -, maar ook de woorden 'uitgelezen' en 'berichtgeving' wijzen erop dat het Demets om duiding en zingeving van de werkelijkheid gaat. Maar of hij de wereld even goed begrijpt als Kuifje, valt te betwijfelen.

Wie het bovenstaande gedicht op zich laat inwerken, moet vaststellen dat een sluitende interpretatie vermoedelijk onhaalbaar is, hetgeen geldt voor vrijwel alle gedichten in De papegaaienziekte. Toch zal een lezer die voldoende concentratie kan opbrengen, zich geen seconde vervelen.

Dat komt doordat Demets krachtig en trefzeker formuleert, doordat het allemaal bijzonder goed klinkt, en doordat de gedichten als geheel een solide structuur vertonen. Niet alleen binnen de gedichten zelf, maar ook tussen de gedichten onderling vallen steeds allerlei dwarsverbanden aan te wijzen en, om met de dichter te spreken, lijnen te trekken.

Maar bovenal blijkt uit iedere bladzijde dat Demets niet zomaar wat aardige taalspelletjes speelt. Wat hij zegt mag ontoegankelijk zijn, het gaat wel over essentiële zaken als dood en erotiek, natuur en cultuur, zijn en niet zijn, schoonheid en waarheid: allemaal begrippen die misschien alleen via omwegen benaderd kunnen worden. In die zin torst Demets, die trouwens ook Caspar David Friedrich, Anselm Kiefer en Martin Heidegger noemt, een bijna Teutoonse ernst op zijn schouders.

Het is verrassend in dit gezelschap ook Léon Spilliaert aan te treffen, wiens vroege werk de inspiratiebron voor dit gedicht vormde:

Maanziek wil het park alle lakleer meisjes

tot bestaan. De kaarten bijeengeharkt kwam

de kiosk tot bedaren, morste hoesten de heren

tot onversneden zwart. Waar bloed walst als

in het lazaret, de bladerval tandbederf

in het biscuit van hun lachen

heeft gekerfd, zijn hoorbaar hommels afgedaald.

En schommelt het goud rond de vij ver, olieschaal.

Verdrinkt in dadendrang, schommelt het heelal

op zijn smalst in je pumps, flessen hals

de struiken. Kan honing fermentatie goed

gebruiken, in je haren opgeknoopt. Zo wil je

in je kleren nog wel een kwartdraai keren als ik

naar je adem snak, nageurend waar je loopt.

Hier is de wereld teruggebracht tot een van verrotting en seksualteit zinderend park, waar het lakleer van wufte dames rijmt op hoestende heren, waar bloed walst en het heelal met haar heupen wiegt. Merk op dat het geurspoor uit het junglegedicht hier terugkeert.

Over deze poëzie zijn we voorlopig nog niet uitgepraat.

Meer over