Kemp schilderde weinig voor de gewone oppervlakkige man

Onder een graatmagere maansikkel strekt zich een nachtgrijs bloemenveld uit. Ronde parasollen hangen boven de grond als een zachte deken op steeltjes, als een wateroppervlak van bloemen....

MICHEL MAAS

Van onze verslaggever

Michel Maas

MAASTRICHT

Het schilderij, getiteld Zomeravond, vangt meteen de aandacht. Om dat beest zonder ogen, om die grote scherpe maan, de omfloerste sterren en vooral om de zachte blauwgrijze kleur van de nacht, de kleur van een zomeravond. En ook om de vraag wat dat beest daar tussen de bloemen doet.

En vervolgens om de vraag wat dat schilderij daar doet, in het trapportaal, als je boven komt in het Bonnefantenmuseum. Want Zomeravond, dat heel goed van de fantaisist Odilon Redon zou kunnen zijn, hangt daar in een volstrekt willekeurig gezelschap: van een paar academische landschapsstudies uit 1913, die heel goed van iederéén zouden kunnen zijn, van een Kinderdroom in zwartwit en een schilderstukje met kinderen met kathedralen op hun hoofd, die heel sterk doen denken aan de oer-strip Little Nemo in Slumberland van Winsor McCay.

Veel lijn zit daar op het eerste gezicht niet in. En ook op het tweede gezicht is de enige lijn die valt te ontdekken alleen maar dat het is gemaakt door één en dezelfde man: de dichter/ schilder Pierre Kemp.

Het Bonnefantenmuseum heeft onlangs van de familie Kemp een royale schenking gekregen van vijftig schilderstukken en honderden tekeningen. Samen met de dertig schilderijen en de tekeningen die het museum al in de jaren '50 verwierf, beschikt het nu over veruit het grootste deel van het oeuvre van Pierre Kemp - 90 procent, schat directeur Alexander van Grevestein van het Bonnefantenmuseum.

Een grote greep uit dit bezit hangt nu trots uitgestald op een overzichtstentoonstelling. De tentoonstelling blijft tot het eind toe zoals hij bovenaan de trap begint, een allegaartje - waarvan het grootste deel gemaakt is tussen 1929 en 1936, zijn laatste en meest produktieve periode.

Schilderwerken met onverdachte en bijna uitsluitend vertrouwde titels als De ark van Noach, Toren van Babel, Nachtgezicht, Zomeravond, De verleiding van Eva, Landschap met dame, dood en duivel, Een geknielde mijnwerker, Aangeschoten fluitist in de maneschijn, Samson en Delilah, De dood en het meisje. Soms zijn de schilderijen gewoon wat ze beloven. De veel geëxposeerde Aangeschoten fluitist in de maneschijn is echt een aangeschoten fluitist in de maneschijn.

Maar meestal zijn ze heel iets anders. 'De verleiding van Eva' blijkt in een oorbel te schuilen, 'Nachtgezicht' is een vreemde tentenstad in het donker, bij de toren van Babel rolt een lopende band ronde dingen (kometen?) in of uit het water, een in een café opeengepakte menigte waar slierten rook uit opstijgen heet 'Zielen met sigaretten', en op 'Boetedoening van H. Franciscus' springt de heilige in een baan van goddelijk licht als een bezetene heen en weer op een kaal rotsig eilandje, terwijl op het grazige vasteland op de voorgrond carnaval wordt gevierd en een man met lange neus vredig glimlachend zijn roes uitslaapt.

Of Kemp zit te krassen in een verder geheel 'af' geschilderd schilderstuk. Dan staan er ineens in een hoekje in een overweldigend landschap piepkleine figuurtjes met fiets of auto, geschetst met de achterkant van het penseel. In de lucht van een feeëriek 'Frans' parklandschap vol zondagse mensen zet hij met drie strepen een vliegtuig en noemt het schilderijtje: 'Kijken naar het vliegen'. En de dood, in De dood en het meisje bestaat uit vijf, zes vegen. Alsof hij geen zin meer had om het verder uit te werken.

In zijn eigen tijd heeft hem dat veel hoon opgeleverd. Kemp werkte van 1906 tot 1913 als plateelschilder bij de Société Céramique. Waar de ambitieuze jongeman ontwerpen indiende voor complete serviezen, die nooit zouden worden uitgevoerd. Zoals hij ook modeontwerpen maakte en die ongevraagd opstuurde naar bekende couturiers.

In 1913 werd hem, dank zij bemiddeling van een jezuïetenpater, een 'fonds' beschikbaar gesteld dat hem in staat stelde ontslag te nemen en zich een jaar lang aan de schilderkunst te wijden. Over het resultaat was men matig tevreden. De pater schreef Kemp: 'Wat ik tegen je schilderen heb, is dat er bijna niets bij is, wat een gewoon heer in zijn salon of huiskamer wil ophangen. 't Zijn studies, die gedeeltelijk iets bijzonders en goeds, gedeeltelijk iets onbeholpens hebben, maar die als geheel niet in de smaak zullen vallen van gewone oppervlakkige mensen.'

Maar Kemp, die inmiddels ook gedichten schreef, ging door en werd in 1929 werkend lid van de Limburgsche Kunstkring. Dat ging niet erg lang goed. In 1933 weigerde de jury van de kunstkring enkele schilderijtjes van hem voor een tentoonstelling, op grond van 'het feit dat het eigenlijk geen schilderijen maar gedichten zijn'. En in 1935 werd hij uit de kunstkring weggeballoteerd.

Niet veel later, op 1 augustus 1936, besloot hij voorgoed met schilderen te stoppen, en te kiezen voor de dichtkunst. Hij schreef het gedicht Staking, zijn afscheid van de schilderkunst:

Ik weiger verder vermiljoen te strijken

met een penseel op een stuk doek.

Ik weiger verder kobalt te gebrui ken,

omdat ik in de streken vrouwen zoek.

Voor haar ben ik tot niets meer bereid,

hoe het me ook om de mooie kleuren spijt.

Kemp heeft inderdaad nooit meer een penseel aangeraakt, ook al kostte hem dat soms grote moeite. In zijn gedichten heeft hij er nadien nog vaak met heimwee over geschreven.

Van 1 augustus 1936 tot aan zijn dood in 1967 is Pierre Kemp uitsluitend nog dichter. Al zit, meent Simon Vestdijk, in zijn gedichten de schilderkunst nog altijd verscholen: 'Sommige van zijn verzen lijken ''vertalingen'' van (door hemzelf verzonnen) schilderijen of tekeningen.' Hij schreef veel gedichten in de trein tussen Maastricht en Eygelshoven, waar hij werkte op het loonbureau van de staatsmijn Laura. 28 Jaar lang, elke dag een gedicht. In 1956 ontving hij voor zijn werk de Constantijn Huygensprijs.

In het Liber Amicorum Pierre Kemp dat destijds verscheen, schreef Gerrit Achterberg:

En God zal zeggen: ''Kijk, daar is Pierre Kemp;

tijd dat ik nu mijn eigen kleuren demp.''

De werken in het Bonnefantenmuseum hangen willekeurig door elkaar, noch op thema, noch op kleur, noch op jaartal gegroepeerd, en evenmin op stijl. En het maakt niets uit. Want ook de meest uitgewerkte rubricering zou uiteindelijk maar één ding hebben duidelijk gemaakt: Kemp deed wat hij wilde. Hij geneerde zich nergens voor.

Van Grevestein: 'Hij grijpt geheel vrij om zich heen in stijlen en onderwerpen. Daarin kun je hem nu beschouwen als een voorloper van wat je tegenwoordig in de modernste kunst ziet. Bij René Daniëls bijvoorbeeld. Het is pretentieloos, het zijn geen ''affe'' produkten, vaak blijft het schetsmatig. Kemp bewijst hoe met vrij lullige onderwerpen en een vaak lullige manier van schilderen toch grote schilderkunst kan worden gemaakt.'

Wat het groot maakt, is, aldus Van Grevenstein, de noodzaak van waaruit Kemp schilderde: 'Het moest. Hij móest dat maken. Het is het tegendeel van vrijblijvend.'

Meer over