Keizer achter republikeinse façade

DE PRESTATIES van keizer Augustus stellen die van Alexander de Grote en Julius Caesar in de schaduw. Aldus Jochen Bleicken in de epiloog van zijn achthonderd pagina's tellende Augustus - Eine Biographie....

Alexander is volgens Bleicken niet meer dan een brute veroveraar geweest, die uit nietsontziende expansiedrang het Perzische wereldrijk vernietigde en tegelijkertijd de bestaande politieke structuren van de Griekse wereld om zeep hielp. Bij zijn dood liet hij zijn opvolgers met de brokken zitten.

De daden van Caesar waren nauwelijks verheffender. Hoewel enkele van zijn maatregelen misschien als aanzet tot iets nieuws kunnen worden beschouwd, is het onjuist in Caesar een van de belangrijkste staatslieden uit de wereldgeschiedenis te zien, wát zijn moderne bewonderaars ook mogen zeggen. In wezen was de Romeinse dictator, net als Alexander, in de eerste plaats een veroveraar die verwoestingen aanrichtte.

Nee, dan Augustus. De keizer staat niet bekend als een briljant generaal. Sympathie voor zijn persoon heeft men zelden of nooit kunnen opbrengen. Maar doet dit ertoe? Zijn Augustus' daden niet veel constructiever geweest dan die van Alexander en Caesar tezamen? Was Augustus niet de architect van het Romeinse keizerrijk? En heeft hij daarmee niet het fundament gelegd voor een staatsvorm die enkele eeuwen zou standhouden?

In 44 voor Christus kwam Augustus, toen nog Gaius Octavius geheten, voor het eerst in de publieke belangstelling te staan. Dat gebeurde vrij onverwacht. Op 15 maart was zijn oom, Gaius Julius Caesar, door dolksteken om het leven gebracht. Kort daarop bleek dat de 18-jarige Octavius bij testament was benoemd tot Caesar's erfgenaam en dat hij postuum door Caesar was geadopteerd. Dat laatste leverde hem, behalve een nieuwe naam (Gaius Julius Caesar Octavianus, kortweg Octavianus), ook de steun op van Caesar's legioenen. En soldaten kon hij goed gebruiken in de burgeroorlog die op uitbreken stond.

Caesar's moordenaars, Brutus en Cassius voorop, hadden het niet kunnen verdragen dat Caesar steeds openlijker was uitgekomen voor zijn ambitie om van Rome een monarchie te maken. Door hem uit de weg te ruimen hoopten zij de al bijna vijf eeuwen bestaande republiek te redden. Heel even leek het er ook op dat zij in hun opzet zouden slagen. Maar spoedig keerde het tij. Niemand kon overigens toen al vermoeden dat Caesar's adoptiefzoon zou slagen waar Caesar zelf had gefaald.

Voorlopig was het nog niet zover. Brutus, Cassius en andere aanhangers van de aristocratische republiek, die vonden dat het zwaartepunt in de staat bij de senaat behoorde te liggen, dwarsboomden vooralsnog de ambities van de solistisch opererende Octavianus, voor wie eeuwenoude tradities minder belangrijk waren dan de eigen machtspositie. Maar Cassius en Brutus gingen al in 42 voor Christus ten onder in de slag bij Philippi (in het noorden van Griekenland). Beiden pleegden na afloop zelfmoord.

Voor de strijd tegen de moordenaars van Caesar had Octavianus een medestander gevonden in Marcus Antonius, ondanks eerdere strubbelingen tussen hen beiden. Aan Antonius, vroeger de rechterhand van Caesar, was de overwinning bij Philippi in feite zelfs te danken geweest. Ook in de daaropvolgende jaren werkten Octavianus en Antonius samen, al ging het niet van harte. Marcus Antonius had het bestuur over de oostelijke helft van het Middellandse-Zeegebied in handen, Octavianus dat over Italië en het westen. De senaat had hun hiervoor buitengewone bevoegdheden verleend.

Op den duur bekoelden de betrekkingen tussen de beide mannen volledig. De liefdesrelatie die Antonius had aangeknoopt met Cleopatra, koningin van Egypte en eerder de minnares van Caesar, droeg daartoe bij. Antonius' wettige echtgenote was namelijk Octavia, zuster van Octavianus. De belediging haar aangedaan heeft Octavianus zijn zwager nooit kunnen vergeven.

Uiteindelijk kwam het in 31 voor Christus tot de zeeslag bij Actium. Octavianus won. Of liever: zijn generaal en admiraal Agrippa behaalde voor hem de overwinning, want een groot strateeg is Octavianus nu eenmaal niet geweest. Antonius en Cleopatra, gedesillusioneerd, benamen zich korte tijd later het leven.

Door de slag bij Actium was een eind gekomen aan een lange periode van burgeroorlogen. Velen haalden opgelucht adem. Ze waren allang blij dat orde en rust in de plaats waren gekomen van chaos en ellende, en ze namen het verlies van de vrijheid op de koop toe. Zelfs de aanhangers van de republiek, voorzover nog niet uitgemoord, hielden zich koest. De tijd was nu rijp voor Octavianus' volgende stap op weg naar de monarchie - het zou een knap stukje theater worden.

Tijdens een speciale zitting van de senaat in 27 voor Christus kondigde Octavianus aan al zijn bevoegdheden te willen neerleggen. Luide protesten van de senatoren waren het gevolg. De staat kon hem niet missen. Of hij niet te bewegen was zijn besluit te herzien. Quasi geroerd beloofde Octavianus er nog eens over te zullen nadenken en warempel, enkele dagen later deelde hij mee dat hij zich gewonnen gaf en bereid was aan te blijven. Uit dankbaarheid werd hem de eretitel Augustus, 'de Verhevene', verleend. De Romeinse keizertijd was begonnen.

In de propaganda van Augustus zelf werd dat laatste niet met zoveel woorden gezegd. Integendeel, Augustus beweerde dat door hem de republiek was hersteld. Het is duidelijk - Bleicken laat niet na dit te onderstrepen - dat Augustus niet dezelfde fout wenste te maken als Caesar. In plaats van zich al te zeer te laten voorstaan op zijn unieke, met militaire machtsmiddelen afgedwongen positie stelde hij zich bescheiden en diplomatiek op: hij was slechts princeps, 'eerste onder zijn gelijken'.

Er is geen twijfel mogelijk over de vraag wie werkelijk de baas was. Maar door omzichtig te manoeuvreren en door een republikeinse façade in stand te houden wist Augustus in de loop van zijn lange regeringsperiode (hij is pas in 14 na Christus gestorven) het door hem gecreëerde principaat verder gestalte te geven en een groot deel van de aristocratie met de monarchie te verzoenen.

Bleicken besteedt in het eerste deel van zijn degelijke en breed opgezette Augustus uitvoerig aandacht aan de opkomst van de jeugdige Octavianus. Hij tekent hem als een genadeloze 'bloedhond', die met niets en niemand ontziende hardheid en hardnekkigheid zijn doel najoeg. In het aan Augustus' keizerschap gewijde gedeelte is de toon milder. Bleicken verdoezelt de schaduwzijden van Augustus' bewind beslist niet. Hij geeft diverse voorbeelden van rücksichtlos optreden door de keizer (de verbanning naar een onherbergzaam eiland van zijn eigen dochter en kleindochter, onder andere), maar bewondering voert de boventoon.

Het op de puinhopen van de Romeinse republiek door Augustus gegrondveste principaat is gedurende een paar eeuwen van betrekkelijke vrede en voorspoed blijven bestaan. De prijs die het gekost heeft om dit mogelijk te maken, was hoog. Maar niet te hoog, in de ogen van Jochen Bleicken.

Meer over