Keith is cool

Ook het proza van Keith Richards heeft toon, ritme en stijl. En er staat veel meer in zijn autobiografie dan dat Mick Jagger geen boezemvriend is.

Vlak voordat Life, de autobiografie van Keith Richards, naar de drukker ging, kreeg de schrijver een brief in handen die hij in april 1962 aan zijn tante Pat schreef. Hierin doet de dan achttienjarige Richards verslag van zijn ontmoeting vier maanden eerder met een jongen die hij op het station van zijn woonplaats Dartford ontmoet. 'Je weet hoeveel ik van Chuck Berry hield en altijd dacht dat ik de enige was', schrijft hij. Op het station kwam er echter een jonge man op hem af die hem aansprak omdat Keith een plaat van Berry bij zich had.


Hij bleek alle platen van Berry te bezitten. 'Zijn naam is Mick Jagger.' Op de lagere school hadden Mick en Keith elkaar al eens ontmoet, maar nu ontstaat er een echte vriendschap. Keith wordt opgenomen in de vriendenkring van Mick, die uit louter rhythm & blues-fans bestaat. 'Niet die Dinah Shore, Brook Benton rommel, maar de echte van Muddy Waters, Jimmy Reed en Howlin' Wolf.'


En los daarvan, zo schrijft Keith aan zijn tante: 'Mick is de beste r&b zanger aan deze kant van de oceaan and I don't mean maybe.'


Die brief staat integraal afgedrukt in Life, dat Richards samen met 'zijn vriend' schrijver James Fox aanstaande dinsdag publiceert. Zelden is er over een muzikanten (auto-)biografie zoveel te doen geweest als over deze publicatie, alleen het voorschot van 4,8 miljoen pond was al uniek. Want Keith Richards die zijn autobiografie schrijft - dat is toch wat anders dan Bill Wyman (tot 1993 bassist in de Rolling Stones) die zijn verhaal deed. Dat vond Richards zelf ook, getuige een interview vorige week in The Times waarin hij Wymans autobiografie afdeed als saai.


In dat interview voorspelde Richards ook dat er van Mick Jagger geen eigen verhaal zou komen; had hij al eens geprobeerd maar hij had zijn voorschot teruggestort, vanwege een (volgens Richards) slecht geheugen.


Mogelijk heeft Richards de brief aan zijn tante afgedrukt om toch nog íets aardigs over Jagger te zeggen, want de zanger van de Rolling Stones, tevens de man samen met Richards verantwoordelijk was voor de tientallen rock 'n roll- klassiekers, wordt bepaald niet gespaard.


Aanvankelijk klikt het geweldig tussen de twee. Ze houden van precies dezelfde harde r&b en zitten uren samen bij de platenspeler, verdiept in de muziek van hun helden. Richards beschrijft de prille Stones-jaren met veel gevoel voor sfeer, en maakt duidelijk dat hun keuze voor deze muziek voortkwam uit rebellie tegen de jazz en pop waar de meeste van hun generatiegenoten naar luisterden.


Ze wilden domweg de beste rhythm & bluesband van Londen worden. 'En we wilden geen geld verdienen. We verafschuwden geld. We just wanted to be black motherfuckers.'


Vervolg op p2


Keith doet het niet voor ons

Vervolg van p1


Het was aan pianist Ian Stewart ('Stu') te danken dat er rond het duo echt een band ontstond, zo maakt Richards duidelijk. Met Charlie Watts, meer een jazzdrummer dan een bluesman, maar met een stijl die goed paste bij die van bassist Bill Wyman - die aanvankelijk vooral werd gewaardeerd om zijn mooie versterker.


En dan was er Brian Jones, die in de prille Stones-jaren belangrijk was voor het bluesgehalte van de band. Maar Richards heeft voor hem misschien wel de minste goede woorden over.


Dat Richards en Jagger de componisten in de band zouden worden was, zo schrijft de gitarist, helemaal niet vanzelfsprekend. Het mét Lennon & McCartney beroemdste songschrijversduo uit de popgeschiedenis werd door hun manager Andrew Loog Oldham aan elkaar gekoppeld, gewoon omdat er behoefte was aan eigen songs.


Die kwamen niet vanzelf. Het eerste liedje dat niet door de rest werd uitgelachen of - zoals As Tears Go By - naar anderen werd doorgeschoven was The Last Time. Richards kan moeilijk onder woorden brengen wat de combinatie zo bijzonder maakte, maar er was wel degelijk sprake van chemie.


Richards kwam meestal met een riff, waarop Jagger met een melodie kwam. Ook in teksten vulden ze elkaar zonder veel moeite aan. Aardig zijn de anekdoten over de totstandkoming van Jumping Jack Flash (over een stampende tuinman) en Satisfaction (op cassetterecorder door Richards in staat van halfslaap ingezongen).


Liedjes hadden ook wel eens minder leuke aanleidingen. Zo schreef Richards Gimme Shelter tijdens een stormachtige nacht toen zijn geliefde Anita Pallenberg op de set van de film Performance bleef waar Mick Jagger haar tegenspeler was. Hij wist zeker dat ze vreemdging. Op zijn beurt had hij haar van Brian Jones afgenomen, bovendien was hij zelf ook met Jaggers geliefde Marianne Faithfull naar bed geweest.


Lacherig beschrijft hij de onderlinge verhoudingen als een soap, een soort Peyton Place, zoals hij ook niet nalaat het versiergedrag van Mick en Bill als kinderachtig te bestempelen. Zelf was hij namelijk nooit op zoek naar seks, hooguit naar liefde. De roem die hem in staat stelde te profiteren van al het vrouwelijk schoon deed hem niets.


Sterker nog, hij noemt zijn faam een van de oorzaken waarom hij aan heroïne en cocaïne verslaafd raakte. Hij kon het onder invloed allemaal beter aan, zo stelt hij. Om er aan toe te voegen dat dit niet het hele antwoord is op de vraag waarom hij jarenlang een junk was.


In 1978 kickte hij na diverse pogingen definitief af van de heroïne, en vier jaar geleden na de val uit een boom (anders dan de verhalen wilden géén kokospalm) van de cocaïne.


Logischerwijs komt zijn verslaving uitgebreid aan bod in Life, net als de vele keren dat hij in binnen- en buitenland werd gearresteerd. Dat zijn vaak smeuïge anekdotes, en al leveren ze weinig nieuws op, de toon, het ritme en de stijl van Richards' proza maken dat je het boek nauwelijks weg kunt leggen.


Het best op dreef is hij toch als hij bij de muziek blijft. Zoals als hij uitlegt hoe hij in 1968-1969 een nieuwe stijl ontwikkelde met een 'open stemming op vijf snaren' (zie de riffs in Street Fighting Man, Jumping Jack Flash en Brown Sugar).


En natuurlijk is het gniffelen als Jagger er van langs krijgt wanneer deze zonder de band te raadplegen een solodeal sluit en op de proppen komt met She's The Boss: 'Het is als Mein Kampf. Iedereen had een exemplaar, niemand luisterde ernaar'.


Hoeveel strijd er tussen de twee ook was, in 2004 maken ze als vanouds het sterke A Bigger Bang. Al staan hun kleedkamers mijlenver uit elkaar, en heeft Richards die van Jagger al die jaren niet bezocht: Richards houdt van Jagger als van zijn broer.


En nog altijd voelt het, wanneer hij het podium betreedt, alsof 'de Datsun waarin ik rijd een Ferrari is geworden'. Hij doet het niet voor het geld, zo zegt hij, ook niet voor ons.


I'm doing it for me.


Muziek maken als levensdoel, dat zoiets bestaat bewijst Richards bijna zeshonderd pagina's lang. Het is nog altijd het belangrijkste in zijn leven, en Life is net zo belangwekkend als zijn muziek.


Meer over