'Keihard werken, daar gaat het om'

Dure topsporthallen of schitterende faciliteiten zijn in wezen onbelangrijk voor een sporter, weet tienkamper Eelco Sintnicolaas. Je zult het zelf moeten doen.

Hoe goed is... de sporter?


De beste tienkamper geldt in de atletiek als de beste atleet sinds de Zweedse koning Gustav de eerste olympisch kampioen, de Amerikaan Jim Thorpe, in 1912 toesprak met de woorden: 'You, sir, are het greatest athlete in the world'. Eelco Sintnicolaas behoort al drie jaar tot de topvijf van de tienkamp. Is hij de op vier na beste atleet op aarde?


Sintnicolaas lacht verlegen. Het is een vleiende gedachte, maar ook een waarbij hij zich niet helemaal op zijn gemak voelt. Het past misschien wel bij zijn status als tienkamper, maar niet bij zijn positie buiten de atletiek. De 25-jarige atleet uit Apeldoorn is, ondanks zijn herkenbare achternaam, nagenoeg onbekend in Nederland.


Was hij als Duitser geboren, denkt Sintnicolaas, dan was alles anders geweest. De WK atletiek in Berlijn, in 2009, staat hem nog helder voor de geest. De tienkampers werden in het stadion aangekondigd als de koningen van de atletiek. Hij voelde liefde voor een rijke traditie. Hij ervoer respect voor de prestaties. 'In Nederland vinden mensen de tienkamp ook wel mooi, maar ze weten vaak niet eens hoe het in elkaar steekt.'


Rennen, gooien, springen: dat is zijn vak in een notedop. Het zijn vaardigheden waarin elk gezond jongetje zich tracht te bekwamen, gegoten in een wedstrijd die twee volle dagen in beslag neemt.


Op dag één: 100 meter, verspringen, kogelstoten, hoogspringen en de 400 meter. Op dag twee: 110 meter horden, discuswerpen, polsstokhoogspringen, speerwerpen en de 1.500 meter. De opeenvolging van explosieve onderdelen is een aanslag op spieren en pezen, waardoor tienkampers maximaal drie wedstrijden per seizoen kunnen afwerken.


Sintnicolaas werd in 2010 tweede bij de EK atletiek, in 2011 vijfde bij de WK atletiek en verbeterde vorig jaar het 24 jaar oude Nederlandse record tot 8.506 punten. Bij de Olympische Spelen van Londen stelde hij teleur met een elfde plaats.


Binnen de Nederlandse atletiek is de tienkamp een speerpunt. Het is een van de atletiekonderdelen waarop Nederlanders, in theorie, kunnen uitblinken. Het helpt om lang en sterk te zijn. Daarnaast is het een onderdeel dat veel en slim trainen vereist, met behulp van begaafde coaches. Sintnicolaas traint dagelijks tweemaal. De meeste onderdelen komen een keer per week aan bod.


Bijbaantjes

Ondanks het belang dat wordt toegekend aan de tienkamp, ook door sportkoepel NOC*NSF, hebben Sintnicolaas en zijn coach Vince de Lange het niet breed. Twee jaar geleden woonde de atleet nog bij zijn ouders om geld uit te sparen. Hij reed in de auto van zijn moeder. Zijn coach, die hij deels uit eigen zak betaalde, schraapte via allerlei bijbaantjes een inkomen bijeen, totdat hij een deeltijdbaan bij de Atletiekunie kreeg.


Inmiddels is Sintnicolaas beter bij kas dankzij een sporterstipendium (1.300 euro per maand) en een bescheiden contract met Adidas. Maar zijn coach is niet uit de zorgen. De onderhandelingen met de Atletiekunie over een nieuw contract verlopen moeizaam. Hij heeft nog minder uren aangeboden gekregen, tegen een lagere vergoeding, ondanks de status van Sintnicolaas als de beste Nederlandse atleet (met sprinter Churandy Martina).


Die financiële sores ervaart Sintnicolaas soms als onrechtvaardig, vooral als hij ziet hoeveel geld er bijvoorbeeld omgaat in een kleine sport als schaatsen. Het stoort hem dat een bevlogen coach, die '24/7' met de tienkamp bezig is, moet bakkeleien over een deeltijdcontract. 'Het voelt soms oneerlijk als je ziet wat anderen kunnen doen. Bij ons is het steeds afwachten, kijken of je een contract met een paar uur extra kunt krijgen.'


Dan denkt hij soms even aan Duitsland. 'Als je in de tienkamp geld wilt verdienen, moet je Duits zijn. Met het niveau dat ik heb, zou ik daar ontzettend veel meer verdienen.'


Zinloze gedachten, dat weet hij. Hij beseft ook dat zijn situatie anders zou zijn als hij bij de Spelen van Londen een medaille had veroverd, wat mogelijk leek. Hij zou in de atletiek de eerste Nederlandse medaillewinnaar zijn geweest in 20 jaar. Het zou hem veel bekendheid hebben opgeleverd en mogelijk betere contracten voor hemzelf en zijn coach. 'Misschien moet ik gewoon meer medailles winnen.'


Geld is voor hem en zijn coach nooit een reden geweest om voor de tienkamp te kiezen. Hij ervaart het als voorrecht deel te mogen uitmaken van de grootste olympische sport. De sfeer van saamhorigheid tussen atleten trof Sintnicolaas als tiener al, toen hij de tennisbaan verruilde voor de atletiekbaan van AV'34.


Tienkampers vormen een soort broederschap. Ze zijn weliswaar rivalen, maar ze zien elkaar eerder als bondgenoten in de tweedaagse strijd tegen hun lichamelijke beperkingen. Eer is voor hun geen begrip uit lang vervlogen tijden. Ze stimuleren elkaar, in plaats van elkaar af te katten. Na elke wedstrijd lopen ze samen een ereronde, om te vieren wat ze samen hebben volbracht.


De sfeer van broederschap voelde Sintnicolaas eind vorig jaar ook, toen hij met zijn coach in Cuba op trainingskamp ging bij een van zijn belangrijkste rivalen, Leonel Suarez. Ze hadden niet veel meer dan een losse afspraak om kennis uit te wisselen over elkaars sterkste onderdelen (Suarez: speerwerpen en hoogspringen, Sintnicolaas: polsstokhoogspringen). Ze werden twee weken ondergedompeld in een sterke sportcultuur die tientallen topatleten heeft voortgebracht.


Catacomben

De faciliteiten waren primitiever dan Sintnicolaas zich had durven voorstellen. De atleten en coaches leefden in een gebouw waar al dertig jaar geen onderhoud aan leek gepleegd. In het krachthonk waren de stangen met gewichten krom. Massagetafels leken op eettafels. In de catacomben stonk het naar urine. Hij proefde schaamte bij de Cubanen. 'We hebben onze iPads maar om onze kamers gelaten, uit beleefdheid.'


Tegelijkertijd was er veel om jaloers op te zijn. De Cubanen hadden 31 coaches, allemaal voltijds in dienst, en een medische staf die meereist naar elke wedstrijd. De gastvrijheid was ontroerend en het arbeidsethos van de atleten imponerend. 'Je beseft erdoor dat het uiteindelijk gewoon om keihard werken gaat, niet om dure topsporthallen of schitterende faciliteiten zoals op Sportcentrum Papendal. Ik ging weg uit Cuba met het idee dat atleten in Nederland te veel worden gepamperd.'


Sintnicolaas beseft dat hij die gedachte moet vasthouden, ook als er met de Atletiekunie weer eens onmin is over geld of budgetten. Hij moet dicht bij zichzelf blijven en tot zich laten doordringen dat hij tienkamper is uit liefde voor de atletiek. Hij heeft het geluk aanleg te hebben voor een unieke combinatie van sporten. Dat is een rijkdom die in geldbedragen niet is uit te drukken.


Sintnicolaas: 'Een beetje Cubaans relativeren, dat moeten we af en toe doen. We moeten tegenslag zien als iets dat ons hongerig houdt en motiveert het beter te doen.'


Meer over