Kees Verwey vond zichzelf nooit van vroeger, zijn werk telde mee Schilderen tot kleuren breken In atelier van Verwey is een halve eeuw niets aangeraakt

Kees Verwey, die zondag op 95-jarige leeftijd overleed, werd zijn leven lang consequent met de Tachtigers vergeleken. Hij was 'de laatste impressionist, een verloren stem uit vervlogen tijden'....

VERWEY WERD tegelijk met onze eeuw geboren en zag die eeuw zich in twee wereldoorlogen en talloze schildersoorlogen storten. Hij overleefde ze allemaal en bleef zijn thema trouw. Hij wist wat er speelde en verwerkte zijn ervaringen en ontdekkingen in zijn schilderijen.

Hij was in Amsterdam geboren en vestigde zich in de jaren dertig in Haarlem. Misschien werd hij in zekere zin gevormd door het werk van zijn ooms - de dichter Albert Verwey en de architect H. P. Berlage - maar hij kreeg zijn werkelijke opleiding van de Haarlemmer schilder Henri Boot. Hij was in zijn jonge jaren bevriend met de schrijvers Lodewijk van Deyssel, Adriaan Roland Holst en Godfried Bomans. Uit die tijd dateert een prachtig portret van een hevig loensende Lodewijk van Deyssel, die niet echt gecharmeerd was van dit 'naar het leven' getekende werk. Verwey schilderde zoals hij keek en niet zoals anderen het wilden zien.

Zijn werk, het wondere licht van zijn schilderijen, werd vergeleken met dat van Bonnard en Vermeer. Hij wees er zelf op dat Haarlem op dezelfde afstand van zee ligt als Delft. 'Het licht waarmee Vermeer werkte, heeft dezelfde vibratie als het licht dat door mijn ramen binnenvalt'. Hij volgde wat er buiten die wereld van zijn atelier speelde en heeft de wisselingen die daar in zijn werk het gevolg van waren vaak proberen uit te leggen.

Bij een expositie in de jaren tachtig zei hij: 'Echt dwalen, tot geheel verdwalen, heb ik niet gekend. Wel heb ik mijzelf vaak op de proef gesteld en uit balorigheid en onvrede zijpaden gezocht, die mij tenslotte toch weer terug naar mijn oorspronkelijke aard drongen. Die aard was meer lijdelijk dan opstandig. Ik heb mij altijd sterk afhankelijk gevoeld. Als kind tekende ik uitsluitend na. Ook later bleef ik mij lang aan grote voorbeelden optrekken. Vandaar de vele invloeden die mij onophoudelijk belaagden. Ik geloof dat deze wijze van handelen mij veel heeft gebracht.' Hij trok het zich aan als er werd gezegd dat hij van vroeger was en niet meer meetelde.

Zijn atelier aan het Spaarne moet een legendarische plek zijn. Een halve eeuw lang is er niets meer aangeraakt. Geen mens die er ooit mocht opruimen of iets verzetten. Foto's tonen een wereld van vergankelijkheid en de schoonheid van verval. Het zijn beelden vol verstilde voorwerpen, bustes, potten, vazen, flessen, lappen stof en andere attributen die hij voor stillevens gebruikte; spiegels, verdroogde bloemen en distels waarin het licht speelt met het stof.

Hij heeft het zelf vastgelegd in talloze atelierstudies, waarin dat licht van Vermeer dartelt. 'Kleuren leven pas als je ze tot leven brengt', zei hij eens, 'en dat kan alleen door middel van tegenkleuren die ze oproepen, net als de muziek.'

De afgelopen veertig jaar werd hij alle kroonjaren van zijn leven met grote overzichten geëerd. De wereld stond, althans in de musea, even stil toen hij vijftig werd, zestig, vijfenzeventig en tachtig. Bij zijn vijftigste verjaardag schreef A. Roland Holst een kwatrijn over de grilligheid van de roem (hij wist ervan, hij was ook een neef van een beroemdheid): O, Roem, die tegen ons zoo fel zich kantte,/ Ons scheidend: U van Rembrandt, mij van Dante!/ Wij zwoegen overschaduwd: Gij en ik:/ Gij door uw Oom en ik door mijne Tante.

Op de vernieuwingsgolven van de jaren zestig en zeventig verdween Verwey's werk naar de achtergrond. Hij klaagde dat zijn werk wel in alle grote musea vertegenwoordigd was, maar daar in depot bleef. De tijd had hem ingehaald. Hij was de oude meester geworden, die alleen nog opzien baarde met zijn vulkanisch temperament. Als schilder was hij opgeborgen onder de V van Verwey in het depot van het verleden dat met de A van Alberdingk Thijm was begonnen. Alleen hijzelf wist wel beter en bromde tegen de stroom in: 'De moderne jongens doen of ik er niet meer bijhoor, maar ze komen wel naar me kijken.'

Hij werd in 1990 weer teruggetrokken in het hedendaagse debat door Rudi Fuchs, toen directeur van het Haags Gemeentemuseum, met een expositie waarvan de titel er al niet om loog: Kees Verwey, van de edele en vrije schilderkunst. 'Oog in oog met de stralende schilderijen van Kees Verwey', zei Fuchs bij die gelegenheid, 'houdt elke speculatie, of zo onbekommerd schilderen nog wel kan, direct op. Als iets goed is, is het toegestaan - nu en altijd.'

Verwey zelf beschouwde de tentoonstelling als een hommage aan zijn oom, de architect van het Haags museum. 'Het is voor mij een bijzondere ervaring in dit grote en laatste werk van Berlage mijn jongste werk te mogen tonen.'

Een paar jaar geleden kreeg hij eindelijk, wat al jaren in voorbereiding was, zijn Kees Verweyhal op de Grote Markt in Haarlem. Hij was op de openingsexpositie vertegenwoordigd met schilderijen, aquarellen en tekeningen; met klassieke landschappen, intieme portretten en vele van zijn atelierstudies.

Hij maakte talloze portretten en zelfportretten, het ouder worden zorgvuldig bestuderend. Zijn werk wordt getekend door een intens kijken en observeren: het doordringen van elk detail tot het onderwerp - of het nu een gezicht was of een voorwerp in zijn atelier en het licht dat daarmee speelde - volledig in hem was opgenomen. Hij verwerkte die studies in de betoverend diepe kleurwisselingen van zijn atelierinterieurs bijvoorbeeld, die de laatste jaren van zijn leven zo breekbaar werden als hij zelf - doorschijnend licht en poëtisch.

Willem Ellenbroek

Meer over