Karten

Mijn zoontje Boelie was al maanden geleden tien geworden, maar in de consternatie die het dagelijks leven nu eenmaal met zich meebrengt was een partijtje er tot dusver bij ingeschoten. Uiteindelijk nam hij het heft in eigen handen. 'Karten' moest het worden. Dat klonk onschuldig genoeg. 'Nodig maar een paar vriendjes uit', zei ik. Dat bleken er op die bewuste woensdagmiddag vijftien te zijn want hij 'kon niet kiezen'.

Het kartpaleis annex speelparadijs annex smuldorado annex zonnebankfestijn bleek zich op een naargeestig, 'Zinksnijder 14' of iets dergelijks geheten industrieterrein buiten de stad te bevinden. Bij aankomst dampte een hevig op de keel slaande benzinewalm en scheurend geronk me tegemoet. De uitbater, die zijn weerzin jegens gillende kinderen bekwaam wist te verbijten, sommeerde me van die hele troep de geboortedata op een formulier in te vullen om, in geval van dodelijk letsel, de juridische afwikkeling gladjes te doen verlopen. Geen punt natuurlijk, alleen hadden die jochies, van wie ik het merendeel amper van gezicht kende, zich inmiddels onvindbaar over het kilometers grote fun-park verspreid. Maar toen ik een uurtje later ook de laatste Timber, Banjo en Halewijn de vitale informatie had ontfutseld kon de pret beginnen.

Karten is, zo bleek, niets meer of minder dan idioot hard autorijden, maar dan overdekt, belachelijk duur, en bovendien, ten gevolge van schandelijke mazen in de wet, toegestaan aan tienjarigen. De instructeur, een jonge, ademstokkend aantrekkelijke volksjongen, legde beknopt uit hoe het moest: ' nóóit remmen terwijl je gas geeft, en uit de auto stappen als die in brand vliegt.' Vervolgens kregen de jongetjes een megacool pak van een soort asbest aan, en een übervette helm op hun kop, waarvan het retegave stoerheidseffect teniet werd gedaan doordat ze onder die helm een roze haarnetje moesten dragen, tegen de luizen. Op de kartbaan gierde intussen een kereltje, dat goddank niet bij mij hoorde, met vierhonderd kilometer per uur door allerlei haarspeldbochten, terwijl zijn vader, de immense bierbuik tegen het hek geperst, ontroerd toekeek. Naast hem verdween een palissanderkleurige blondine achter een deur waarop 'gezichtskanon turbo' stond.

Daar scheurde mijn kind, dat nota bene onlangs nog bij zijn eerste parkeerpoging een deuk in mijn auto had gereden, de snelweg des doods op, met Toots, Buizerd en Elvis in zijn kielzog. Om de tijd te doden tot ze aan de beurt waren sloegen Hopper, Monk, Bavo en Troy elkaar aan de zijlijn de hersens in, terwijl Eppe, Phoenix, Splinter en Pax zich aan de gokmachines vermaakten en ik uit alle macht probeerde niet flauw te vallen van angst en benzinestank.

Die drie uurtjes vlógen om, en voor ik het wist stond ik achter een welverdiend glaasje lauwe ranja de 15 verschillende snackwensen te regisseren van helaas nog lang niet moegestoeide kinderen, (Nee, Merlijn, jij had een kaassoufflé besteld, de kipcorn was voor Raaf! Arkadi, geef die frikandel terug aan Jethro!)

Eindelijk was het tijd om naar huis te gaan. Toen ik de laatste tegenstribbelende Broes, Ziggy, Wolf , Eppe en Dagobert in het taxibusje had gepropt sprak de bejaarde chauffeur na een begripvolle blik op mijn verloederde gestalte troostend: 'Ze zijn maar één keer jong, meid. Geniet er nou maar van.'

undefined

Meer over