Karel Appel, Al Pacino, Femke Halsema en Johan Cruijff

Charles Bromet en Willem Vissers

Column voor Langs de Lijn (NOS), 2 april 2007

Op 25 april is er heel wat gebeurd, de afgelopen eeuw. Zo werd op 25 april 1950 de Republiek der Zuid-Molukken uitgeroepen. Drie jaar later publiceerden James Watson en Francis Crick in het blad Nature de structuur van het menselijk DNA. Op 25 april 1987 won Joop Zoetemelk de 22ste editie van de Amstel Gold Race en op 25 april 1991 overleed Theo Laseroms, de Tank van Feyenoord.

Ella Fitzgerald, Karel Appel, Al Pacino, Albert Verlinde en Femke Halsema werden op 25 april geboren. En Johan Cruijff, in 1947.

Binnenkort wordt hij 60. De vraag is hoe bijzonder dat is. Niet erg, vind ik zelf, maar in de agenda van krantenredacties, tv- en radioprogramma’s staat 25 april 2007 al een half jaar vet onderstreept. De redactie van Langs de Lijn bereidt een avondvullend programma voor en de redactie van Studio Sport doet hetzelfde, want Johan Cruijff wordt 60 en je kunt dit soort programma’s natuurlijk niet maken als hij 59 of 61 wordt.

Ik zie er, eerlijk gezegd, een beetje tegenop, tegen 25 april. De aanleiding is me wat te mager. Er zullen een stuk of zes boeken over Cruijff verschijnen.

Zes boeken. Best veel, als iemand 60 wordt.

Een van de boeken heet Mijn Johan Cruijff. Daarin vertellen allerlei min of meer bekende Nederlanders wat ze van Cruijff vinden, en welke rol hij in hun leven heeft gespeeld. Een collega heeft voor het boek een verhaal geschreven over de auto’s die Cruijff in bezit heeft gehad. Vol trots en opgetogen vertelde de collega laatst dat hij in de beroemde sportwagen heeft gezeten die Cruijff ooit bezat, een Citroën SM. Idi Amin en Leonid Brezjnev hadden destijds ook zo’n auto trouwens.

Mijn Johan Cruijff. Mij is niet gevraagd of ik een bijdrage wilde leveren aan het boek, maar ik wil best toegeven dat ik een grote bewonderaar ben van Johan Cruijff. Niet zo’n grote bewonderaar als Johan Derksen, Jaap de Groot en Frits Barend, en ik hoef echt niet in een oude auto van hem te zitten, maar ik gun hem een lang en gelukkig leven.

En ik prijs mezelf nog steeds gelukkig dat ik hem als voetballer in actie heb gezien en als trainer heb gevolgd. Dat was een voorrecht.

Johan Cruijff is groter dan wij allemaal bij elkaar. De keren dat ik hem sprak, niet heel vaak overigens, was ik telkens weer onder de indruk van zijn eenvoud. Dat is misschien wel zijn opvallendste eigenschap: Cruijff is een wereldster zonder sterallures. En dat hij zich nu al jarenlang inzet voor zijn eigen foundation, siert hem zeer. De wereldster is een weldoener geworden.

Maar toch. Ik zie ook wat Cruijff nu is. Ik hoor hem, tegen beter weten in, Marco van Basten verdedigen, op een ongeloofwaardige manier die haaks staat op de wijze waarop Louis van Gaal en Dick Advocaat werden aangepakt. Mijn Johan Cruijff kan ook heel erg mijn ergernis opwekken, met zijn politieke spelletjes en zijn adviezen op afstand.

Maar laat ik de feestvreugde niet verstoren. Mijn Johan Cruijff heb ik een keer ontmoet op de redactie van Voetbal International dat met veel trots en met champagne een nieuwe internetsite in gebruik nam. Cruijff was uitgenodigd om de eerste handeling te verrichten.

En daar stond hij dan, tussen een ploegje krantenjournalisten en VI-redacteuren. Nadat hij op een knop had gedrukt en de nieuwe site had gestart, zei hij, zeer serieus: ‘Weet je wat ik handig vind? Een fax. Een fax, dat is pas een goede uitvinding.’

Niet in de laatste plaats daarom, alvast: van harte gefeliciteerd. Hier wilde ík het, wat betreft de zestigste verjaardag van Johan Cruijff, bij laten.

Meer over