Zes vragenEuropees landbouwbeleid

Kan Nederland 800 miljoen aan EU-landbouwsubsidies een groene bestemming geven?

Over de grootste subsidiepot in de EU, die voor de landbouw, werd Brussel het eind vorige maand eens. Maar direct klonk gemor: de voorwaarden zijn niet groen genoeg. Kan de 790 miljoen euro die vanaf 2023 jaarlijks naar Nederland vloeit alsnog een duurzame bestemming krijgen? Dinsdag praten experts de Tweede Kamer hierover bij.

Twee Friese boeren, ploegend op hun akker in  Gaasterland.   Beeld Getty Images
Twee Friese boeren, ploegend op hun akker in Gaasterland.Beeld Getty Images

Wat valt er te bespreken? Er is toch al overeenstemming in Brussel?

Veel staat vast over de Europese landbouwsubsidies voor de periode 2023-2027, maar niet alles. Voorstanders van een duurzamer landbouwbeleid zijn in alle gevallen teleurgesteld. Ze vinden de verplichte vergroeningsmaatregel die voor alle boeren gaan gelden niet ambitieus genoeg en hekelen dat ze ook nog zijn omgeven met uitzonderingen.

Neem de bufferzone van drie meter die naast sloten moet komen. Hiervan mag afgeweken worden in gebieden met ‘veel’ sloten. Of het percentage land dat een boer permanent buiten gebruik moet nemen. Dat hoeft niet meer te zijn dan 4 procent van zijn totale areaal. Met ook nog een uitzondering voor boeren met ‘weinig’ grond, waarvan er nogal wat zijn in Europa.

Anderzijds maken critici zich zorgen over een nieuw element in het beleid: lidstaten mogen zelf gaan bepalen aan welke vrijwillige vergroeningsmaatregelen ze een deel van het geld gaan uitgeven. En hoeveel. Hier kan iedere lidstaat dus nog keuzes maken. Afgestemd op de eigen behoefte, zoals bijvoorbeeld in Nederland de stikstofproblematiek.

Dat is toch goed nieuws, extra geld om uit de stikstofcrisis te komen?

Een enorme stap vooruit, zo presenteerde demissionair Landbouwminister Carola Schouten de nieuwe plannen. Beleid dat ‘lidstaten ruimte biedt om de noodzakelijke verduurzaming van de landbouw en de bijdrage aan maatschappelijke opgaven in te vullen op een manier die zoveel mogelijk aansluit op nationale en regionale behoeften van een lidstaat’, schreef ze direct aan de Tweede Kamer.

In theorie heeft de minister gelijk, maar het is de vraag hoeveel lef zij (of haar opvolger) heeft om het geld ook echt groen te besteden. Het uitgangspunt is namelijk grofweg hoe het was: 90 procent van het geld is inkomenssteun, waarvan 75 procent straks nog steeds wordt uitgedeeld op basis van de hoeveelheid grond die een boer heeft. Ongeacht hoe netjes die daar werkt. De andere 25 procent van de inkomenssteun moet gaan naar ‘ecoregelingen’, voor boeren die kiezen uit een vrijwillig keuzemenu aan ingrepen op het boerenland die de biodiversiteit of het klimaat verder helpen.

Wat zijn dan de vergroeningsmogelijkheden voor Nederland?

Hoe duurzaam de subsidieverdeling straks uitpakt, hangt af van de mate waarin de Landbouwminister aan drie groene knoppen gaat draaien. Ze kan ten eerste de 25 procent voor ecoregelingen eigenhandig verhogen ten koste van de platte hectaresteun.

Ten tweede kan ze, en daar schort het in het huidige EU-landbouwbeleid aan, kiezen voor echt effectieve ecoregelingen. Dat ze het geld alleen uitkeert als de biodiversiteit of het klimaat er aantoonbaar op vooruit gaan, bijvoorbeeld als boeren kruidenrijke graslanden aanleggen of het waterpeil verhogen in veenweidegebied.

De grootste potentiële groene klapper is de derde. Uit de pot met inkomenssteun (Pijler 1 geheten, 90 procent van totaal) mag een substantieel deel worden weggesluisd naar het andere deel van de Europese landbouwsubsidies (Pijler 2). Met 10 procent van het totaal een veel kleinere subsidiepot. Hieruit zijn onder meer langetermijnprojecten te financieren die ten goede komen aan de leefbaarheid en duurzaamheid op het platteland.

Met stikstof, klimaat en biodiversiteit hebben we hier problemen in overvloed. Dat vraagt toch om maximaal draaien aan deze drie knoppen?

Boerenbelangengroepen oefenen druk uit om vooral de hoeveelheid directe inkomenssteun hoog te houden. Deze hectarevergoeding is voor boeren immers een zekerheid in een wereld van onzekere prijzen en lage marges. Met een iets lager budget dan in de vorige periode – onder meer omdat niet wordt gecorrigeerd voor inflatie en dankzij het wegvallen van Groot-Brittannië als netto-EU-betaler – zegt landbouworganisatie LTO Nederland dan ook: In het nieuwe systeem ‘moeten meer doen voor minder geld’.

Hebben ze daar niet een punt?

Het toch al onzekere verdienvermogen van boeren gaat er niet op vooruit met de nieuwe plannen, dat klopt. Neem een melkveehouder. Waar die eerst gewoon subsidie kreeg, moet hij nu in ruil daarvoor onder meer een deel van zijn grasland uit productie nemen.

Toch is deze verschuiving naar duurzamer volkomen logisch, zullen tal van deskundigen de Tweede Kamer dinsdag voorhouden. Zoals Jeroen Candel, deskundige op het gebied van landbouwbeleid bij Wageningen Universiteit. In de reactie van LTO ziet hij dat boeren de hectarepremies zijn gaan zien als een ‘verworven recht’. Terwijl de tijd dat landbouwsubsidies exclusief het terrein waren voor sociaal-economische doeleinden volgens hem ver achter ons ligt.

‘We hebben het over publiek geld’, zegt hij. ‘Dan mag je verwachten dat dit wordt ingezet om grote maatschappelijke uitdagingen het hoofd te bieden.’

Gaat dit lukken?

Alles hangt nu af van de keuzes die het kabinet gaat maken. Te presenteren in een Nationaal Strategisch Plan, dat voor het einde van het jaar op de burelen van de Europese Commissie dient te liggen. In een eerste conceptversie kondigde het ministerie vorige week alvast aan dat oppervlakten natuur op boerenland vanaf 2023 ook meetellen voor de hectaresteun. Dit was niet zo, wat voor boeren een prikkel kon zijn om de kettingzaag in bomen en heggen te zetten.

Maar een veel belangrijker passage in de uiteindelijke Nederlandse plannen is die over de hoeveelheid geld die de Landbouwminister bereid is af te snoepen van de directe inkomenssteun aan boeren. Net als Candel pleiten onder meer de Vogelbescherming en hoogleraar biodiversiteit Koos Biesmeijer ervoor zo veel mogelijk over te hevelen van de pot met inkomenssteun (Pijler 1) naar de veel kleinere pot voor plattelandsontwikkeling (Pijler 2).

De Europese Commissie staat via deze weg toe dat maximaal 42 procent afgesnoept mag worden van de inkomenssteun. LTO bepleit maximaal 5 procent. Candel is niet hoopvol. ‘In de brief die de minister vorige week naar de Kamer stuurde, ging het vooral over de zorgen bij de boeren. En veel minder over de maatschappelijke zorgen over milieu en klimaat.’

Meer over