Kafka in Utrecht

Jan van Gilse werd in de jaren twintig weggepest als orkestleider in Utrecht. Een historische rel in muziekland, met componist Willem Pijper in een boevenrol....

'Mijn gemoedstoestand kan ik nauwelijks beschrijven. Ik raasde, ik huilde van wanhoop, ik lag half bewusteloos op den divan, ik kon nauwelijks nog denken of overleggen. Want wat deze dagen zoo ondraaglijk deden worden dat was, dat de hulp waarop ik bouwen moest, geheel en al uitbleef.'

Het is 1920. Jan van Gilse, dirigent van het Utrechtsch Stedelijk Orkest, toen 39 jaar oud, is het middelpunt van de 'muzikantenoorlog' die in Utrecht woedt en waarover tot in landelijke dag-en weekbladen wordt gedebatteerd. De inzet is een financieel conflict tussen het USO en de Utrechtse concertzaal Tivoli. Het orkest dekt in feite de exploitatietekorten van de zaal, ten koste van de inkomens van de musici.

Jan van Gilse (1881-1944) is een doorzetter. Maar in Utrecht komt hij in een situatie terecht die hem uiteindelijk te machtig is. Hij heeft te maken met een inert orkestbestuur, woelingen in het orkest zelf, en dan is er ook nog een criticus die elk van zijn optredens met vitriool overgiet. Die man is Willem Pijper, later gevierd als vooraanstaand componist, maar op dat moment nog slechts recensent bij het Utrechtsch Dagblad, en tevens artistiek adviseur van de concertzaal Tivoli – op zijn minst een merkwaardige belangenverstrengeling.

Van Gilse wil dat Pijper bij de concerten wordt geweerd. Het orkestbestuur draalt zo lang, dat Van Gilse, moegestreden en overspannen, in 1921 het bijltje erbij neergooit. Acht jaar later zet hij de geschiedenis van zijn Utrechtse periode op papier. Het wordt een enorm relaas, 350 duizend woorden, bovendien neemt hij geen blad voor de mond, zodat hij zelf al betwijfelt of het boek publicabel is. Pas in 1963 – negentien jaar na zijn dood – verschijnt een sterk herschreven versie van zijn memoires getiteld Pijper contra Van Gilse, verzorgd door zijn weduwe Ada van Gilse-Hooijer en de journalist H. Lindt.

En nu, veertig jaar later, zijn dan eindelijk deze memoires integraal gepubliceerd, dankzij Hans van Dijk, die in 1980 op Jan van Gilse promoveerde. Het is een forse pil van meer dan zeshonderd pagina's geworden. Op het eerste gezicht is het relaas van een verpletterende uitvoerigheid, wat de leesbaarheid niet altijd ten goede komt. Toch heeft het voordelen. Van Gilse beschrijft niet alleen nauwkeurig hoe het Nederlandse muziekleven er tachtig jaar geleden uitzag, hij geeft ook uitgebreide karakterschetsen van personages als Willem Mengelberg, Cornelis Dopper, Alphons Diepenbrock en Johan Wagenaar.

Vooral de beschrijving van Mengelberg is raak en gezien diens latere gedrag tijdens de bezettingsjaren profetisch. Na lovende bewoordingen over Mengelberg als musicus vervolgt Van Gilse: 'Zijn intellect was niet sterk, zijn karakter evenmin. De kern van zijn wezen van een verbijsterende primitiviteit. (. . .) Zijn kennis, zijn ontwikkeling, zijn belezenheid was buiten zijn eigenlijke vakgebied uiterst gering.'

Er komen in het boek maar weinig mensen voor die gespaard blijven voor dergelijke kritische opmerkingen. Ze zijn dikwijls onbarmhartig en, zoals uit Van Dijks annotaties blijkt, soms aantoonbaar onterecht, maar Van Gilse spaart zichzelf evenmin: 'Ik veronderstel dat ik een vrij goed mensenkenner ben, dat ik een open oog, wellicht een te kritisch oog voor hunne zwakten en hunne deugden bezit. Maar de kunst van die kennis het juiste gebruik te maken versta ik zeer weinig.'

Hoewel de botsingen in Utrecht voor een deel aan Van Gilses karakter te wijten waren, staat het wel vast dat hij doodgewoon is weggepest. Daarbij ging het steeds om Van Gilse als persoon, want zijn kwaliteiten al orkestleider werden algemeen erkend en geprezen, behalve door Willem Pijper. Het is overduidelijk dat er een – misschien onuitgesproken – kongsi bestond tussen Tivoli, de hekelende criticus, en de redactie van het Utrechtsch Dagblad, dat geen weerwoord in zijn kolommen duldde.

In Van Gilses optiek krijgt de hele geschiedenis een Kafkaëske allure. 'Op den achtermiddag van dien dag, dat ik in gevaarlijke razernij het huis uitliep, ziet mijn vrouw in het schemerige licht van den vallenden avond bij het openslaan van het gordijn in de waranda de schimmige gestalte van Pijper staan. Hevig verschrikt wendt zij zich af, doch zij draait zich nog eens om: de verschijning is verdwenen. Een hallucinatie? Mogelijk. Beschikte Pijper over magische krachten? Ook mogelijk. In elk geval, dit alles drong tot een einde, hoe dan ook!'

Het is wel wat onhandig dat bezorger Van Dijk zijn dikwijls betekenisvolle voetnoten niet onderaan de pagina's, maar achterin het boek heeft geplaatst – en ook dat hij maar zelden verwijst naar het boek van Van Gilses weduwe. Dat is in veel opzichten een beter boek, en voor wie echt wil weten hoe de vork in de steel zat zelfs onmisbaar.

Het is een onthullend geschrift, deze memoires – vooral ook omdat het de vraag doet rijzen in hoeverre hedendaagse besturen, in het culturele leven en elders, nog geplaagd worden door een dergelijke laksheid en onkunde. Een prettig leesboek is het daarentegen niet – met één uitzondering: het liefdevolle intermezzo dat Van Gilse wijdt aan de eerste violist van het USO, Hendrik Wijnbergen, met wie hij nauw bevriend was, is aanzienlijk lichter van toon en laat zich lezen als een kleine novelle, ook al moet het verhaal het zonder ontknoping stellen. & bullet;

Meer over