Kabinet levert half werk met belastingplan

Door vast te houden aan het taboe op de aftrekbaarheid van de hypotheekrente, loopt Nederland op termijn een aanzienlijk economisch risico....

MET het belastingplan voor de 21ste eeuw beoogt het kabinet een robuust belastingstelsel te creëren dat het spaar- en beleggingsgedrag niet langer verstoort. Met de invoering van de vermogensrendementsheffing is het niet langer fiscaal aantrekkelijk om kapitaalinkomen om te zetten in onbelaste vermogenswinsten. Allerlei fiscale constructies behoren daarmee gelukkig tot het verleden.

Het kabinet levert met het belastingplan echter half werk. Het blijft namelijk mogelijk hypotheekrente af te trekken tegen relatief hoge progressieve tarieven (in box I) en eigen vermogen te beleggen tegen lagere proportionele tarieven (in box III), in belastingvrije kapitaalverzekeringen of in de pensioenparaplu (hierin zijn de effectieve tarieven zelfs negatief omdat het tarief waartegen de premie kan worden afgetrokken meestal hoger is dan het tarief waartegen de uitkering later wordt belast).

Daarmee wordt het eigen huis de spin in het web van de belastingarbitrage, dat is gebaseerd op het aftrekken van rente tegen hoge tarieven en het beleggen tegen lagere tarieven.

De fiscale verstoringen die het gevolg zijn van de ruime aftrekbaarheid van hypotheekrente worden steeds duidelijker zichtbaar. Daartoe aangemoedigd door banken en verzekeraars nemen de kopers van een eigen woning steeds hogere hypotheekschulden op hun nek. Met het eigen vermogen (vaak de overwaarde van de vorige woning) wordt gespeculeerd op de beurs of duurzame consumptiegoederen gekocht.

De fiscale prikkels om het eigen huis met schuld in plaats van eigen vermogen te financieren, maken de trotse bezitters van een eigen woning kwetsbaar voor een omslag op de beurs en de huizenmarkt. De verstoringen in het beleggingsgedrag schaden zo de schokbestendigheid van de Nederlandse economie en vergroten de gevoeligheid voor conjuncturele schokken.

De woningmarkt stookt nu het vuurtje onder de conjunctuur verder op, maar zal de conjuncturele neergang die daarop onvermijdelijk volgt, versterken. Mede door de ongezonde fiscale prikkels dreigen er zeepbellen te ontstaan op de huizen- en aandelenmarkten die daarmee bronnen van macro-economische instabiliteit worden. Dergelijke pyramidespelen kunnen lang doorgaan zolang er maar genoeg spelers aan mee doen.

De ruime aftrekbaarheid van de hypotheekrente ondergraaft ook het Europese stabiliteitspact. Dit pact boogt begrotingen minder rentegevoelig en daarmee schokbestendiger te maken. Dit haalt de angel uit een mogelijk conflict tussen het Europese monetaire beleid en het nationale budgettaire beleid wanneer de Europese Centrale Bank zich genoodzaakt ziet de rente te verhogen om zo haar primaire doelstelling, prijsstabiliteit, te waarborgen.

Door de ruime aftrekbaarheid van de hypotheekrente blijft de Nederlandse begroting echter gevoelig voor de rente - zowel direct (de overheid betaalt in feite een groot gedeelte van de hypotheekrente) als indirect (een hogere rente zet via het effect op de huizenmarkt en de aandelenmarkt de vraag en daarmee de overheidsbegroting onder druk).

Nederland draait Europa zo een loer: ondanks de daling van de overheidsschuld blijft de begroting kwetsbaar voor een hogere rente; tegenover de lagere expliciete schuld komt steeds meer impliciete schuld te staan (in de vorm van de open-einde regeling van de beloofde onbeperkte rente aftrek). Schokbestendige en houdbare openbare financiën vereisen meer dan een laag financieringstekort.

De ruime aftrekbaarheid van de hypotheekrente versterkt de windhandel van de belastingarbitrage rond het eigen huis. De creativiteit van de markt zal de inconsistente behandeling van hypotheekrente (in Box I) en positief kapitaalinkomen (in Box III, vrijgestelde kapitaalverzekeringen en de pensioenparaplu) maar al te graag uitbuiten.

Geen wonder dat de financiële sector zich opwerpt als verdediger van de ruime hypotheekrente-aftrek. Het fiscale systeem blijft zo wel een gatenkaas.

Als spin in het web van de fiscale constructies zullen woningen nog verder in prijs stijgen. Daarmee komt de schaarse ruimte in ons dichtbevolkte land verder onder druk te staan. Verder bevorderen grote en luxe woningen de aanschaf van energievretende huishoudelijke apparaten. Het belastingplan is dan ook helemaal niet zo goed voor het milieu als het kabinet doet voorkomen.

Het kabinet kan de bittere pil van een minder ruime aftrekbaarheid van de hypotheekrente (bijvoorbeeld aftrekbaarheid voor nieuwe hypotheken slechts toestaan tegen het tarief van de vermogensrendementsheffing en/of het eigen huis geleidelijk in box III brengen) op verschillende manieren vergulden.

Ten eerste kunnen de toptarieven omlaag. Zo komt een flat tax - een echte vereenvoudiging - in zicht. Allerlei arbitragemogelijkheden die hun oorzaak vinden in verschillen tussen tarieven worden daarmee de nek omgedraaid. Ook is er geen gecompliceerd splitsingstelsel nodig om de fiscale prikkels voor gelijke inkomensinbreng binnen het gezin te neutraliseren.

Ten tweede kan de overdrachtsbelasting omlaag. Dit resulteert in een efficiëntere verdeling van de schaarse woonruimte (ouderen maken hun grote woningen eerder vrij voor jonge gezinnen), beperkt de mobiliteit (mensen gaan dichter bij hun werk gaan wonen), en bevordert de flexibiliteit van de arbeidsmarkt (en koestert daarmee het poldermodel door het tegengaan van loonexplosies op een gespannen arbeidsmarkt).

Tenslotte hoeven minder forse begrotingsoverschotten opgepot te worden om (1) te voldoen aan de geest van het stabiliteitspact (2) voldoende veiligheidsmarges in de begroting in te bouwen om tijdens een conjuncturele neergang de automatische stabilisatoren te kunnen laten werken en (3) de verzorgingsstaat te beschermen tegen de vergrijzing.

Twee argumenten worden vaak tegen het aanpakken van de hypotheekrente-aftrek in stelling gebracht. In de eerste plaats zou de aftrek het eigen huizenbezit bevorderen. Het wordt echter steeds duidelijker dat deze aftrek goede komt aan de gelukkigen die reeds in het bezit zijn van een eigen huis (de ouderen) in plaats van de ongelukkigen die de huizenmarkt nog moeten betreden (de jongeren).

De stijging van de huizenprijzen heeft een enorme herverdeling tot stand gebracht van de jongere generaties (die hun eerste eigen huis nog moeten aanschaffen) naar de oudere generaties - een herverdeling die we overigens niet in de koopkrachtplaatjes terugvinden. Daarnaast vergroten de fiscale faciliteiten de scheefgroei tussen rijk (en trotse bezitter van een eigen woning) en arm (en huurder). De rente-aftrek is immers het aantrekkelijkst voor de hogere inkomens (met hogere marginale tarieven). Deze inkomensgroepen (en met name de tweeverdieners) drijven de prijzen van woningen dan ook op. Een eigen woning komt daarmee steeds meer buiten het bereik van de lagere inkomens en alleenverdieners.

Hetzelfde geldt voor de overblijvende arbitragemogelijkheden in het nieuwe belastingplan. Die zijn voortaan gereserveerd voor dat deel der natie dat in het gelukkige bezit is van een eigen woning. De fiscale faciliteiten voor het eigen woningbezit belemmeren al met al de bezitsvorming bij de lagere inkomensgroepen.

Het tweede argument tegen de aantasting van de rente-aftrek is dat het de betrouwbaarheid van de overheid aantast. Ook dit argument snijdt geen hout. Hoe langer de politiek de ogen sluit voor de weeffout in het nieuwe belastingsysteem door te wachten met met het aanpakken van het taboe op de hypotheekrente, hoe meer verworven rechten ze creëert en hoe meer de economische structuur wordt verziekt.

Naarmate de vergrijzing toeneemt, zal er een steeds grotere spanning ontstaan tussen de impliciete beloften aan de huizenbezitters en de impliciete beloften aangaande de stabiliteit van de verzorgingsstaat. Hiermee komt de sociale cohesie in ons bewierookte poldermodel op het spel te staan. Hetzelfde geldt voor de betrouwbaarheid van de overheid: als de wal het schip keert, is er geen ruimte meer voor overgangsregelingen.

Het kabinet heeft nu een unieke kans om door de zure appel heen te bijten. De relatief lage rente en de recente stijging van de huizenprijzen (waarvan de oudere generaties sterk geprofiteerd hebben) maken een ingreep minder pijnlijk. Een zekere afkoeling van de oververhitte huizenmarkt zou zelfs welkom zijn, zeker nu het Europese monetaire beleid voor de Nederlandse economie aan de ruime kant is.

Het belastingplan maakt het verder mogelijk om negatieve koopkrachteffecten te compenseren. De omvangrijke lastenverlichting van minstens vijf miljard is alleen verantwoord als er een forse investering wordt gedaan in een robuust belastingstelsel. Het huidige belastingplan voldoet niet aan die eis. Het zal niet bestand zijn tegen de innovativiteit en creativiteit van de financiële sector.

Dit paarse kabinet ontbreekt de politieke moed om de kiezer recht in de ogen te kijken: de proportionele belasting op vermogen legt een bom onder de aftrek van de hypotheekrente tegen hogere progressieve tarieven. Een volgende belastinghervorming die de asymmetrische behandeling van hypotheekrente en vermogensinkomsten corrigeert, dient zich nu al aan.

Door nu de kop in het zand te steken en de kiezers voor te spiegelen dat de ruime fiscale faciliteiten voor de eigen woning kunnen worden behouden, bewijst het kabinet de betrouwbaarheid van de overheid een slechte dienst. Regeren is meer dan het meedeinen op de golven van de publieke opinie. Het kabinet heeft blijkbaar weinig geleerd van het WAO-drama. Burgers hebben recht op politici die de hele waarheid spreken, met name als het lange-termijn beslissingen betreft.

Meer over