Jury Gaudeamus-week voor onmogelijke taak

Internationale Gaudeamus Muziekweek 1996. De Beurs, Amsterdam...

PAY-UUN HIU

Verbijsterd staan de concertbezoekers woensdagavond bij het loket van de Amsterdamse Beurs van Berlage. De AGA-Zaal is uitverkocht. Hutjemutjevol. Moet de nieuwe muziek het meestal met karig bezette zalen doen, de Internationale Gaudeamus Muziekweek trekt dit jaar onverwacht veel belangstellenden. Overigens ook tot verbazing van de organisatoren. Maandag al bij het openingsconcert kwamen er veel meer liefhebbers dan de tweehonderd die diezelfde AGA-Zaal kan verstouwen.

Niet dat de formule zo ingrijpend is veranderd, of dat er anderszins spectaculaire zaken zijn aangekondigd. De Gaudeamusweek is, zoals elk jaar, een internationale compositiewedstrijd waar de jongste componistengeneratie zich presenteert. Van de zestien werken die tot en met zondagmiddag in De IJsbreker, de AGA-Zaal, het Stedelijk Museum en de Posthoornkerk worden uitgevoerd, mag het een en ander worden verwacht, want ze zijn overgebleven na een eerste schifting van 338 inzendingen uit 39 landen. De driekoppige jury (bestaande uit Christian Lauba, Gerard Brophy en Theo Loevendie) mag nu beoordelen of ze het voorwerk goed heeft gedaan en er met inachtneming van het klinkend resultaat een overtuigende winnaar aangewezen kan worden.

Vorig jaar leidde dat tot een nogal halfslachtige einduitslag met twee winnaars en twee eervolle vermeldingen (werken van deze vier componisten staan deze week ook op het programma, evenals stukken van de juryleden), en nadat woensdag en donderdag de eerste zeven concoursstukken zijn gespeeld, valt er al genoeg te speculeren. Zo zal het oeverloze gezemel in Between five bells (het betreft hier een compositie over de zee) van de Australische Kirsty Beilharz weinig kans maken: mooie geluiden, maar geen body, geen vorm en véél te lang. De Chinese Melissa Hui daarentegen had in Solstice voor piccolo, oboe d'amore, slagwerk en piano beperking tot uitgangspunt verheven en wist ondanks het minimale toonmateriaal een boeiend verhaal te vertellen.

Chant ascendant van de Nederlander Peter Adriaansz mag met recht controversieel worden genoemd en zijn compositie voor sopraan en ensemble (eind vorig jaar tijdens de Nederlandse muziekdagen in première gegaan) kent heftige voor- en tegenstanders. Dat de onlangs overleden sopraan Ingrid Ade-Jesemann bij die première een geuzendaad verrichtte, bleek toen het Nieuwe Ensemble ter vervanging niet één maar twee sopranen nodig had voor heruitvoering. Het stuk heeft veel weg van een op hol geslagen machinerie waarin de zangeressen (Djoke Winkler Prins en Ilse van de Kasteelen) met hoge snelheid, groot volume en op grote hoogte een tekst van chansondichter Jacques Prévert wereldkundig maken.

Of deze compositie een prijs wint, dan wel het veel evenwichtiger opgebouwde Das Lied der Unfruchtbaren voor strijkorkest en solofluit van de Koreaan Uzong Choe, of het door het Odyssee String Quartet met verve en élan gespeelde Streichquartett van diens landgenoot Seong-Keun Kim (of één van de werken die nog worden uitgevoerd), is zeker niet alleen een kwestie van kwaliteit. Veel meer is het een antwoord op de vraag wat volgens deze jury nieuwe muziek moet zijn. Dat is met de extreem uiteenlopende esthetische uitgangspunten van de deelnemende componisten een bijna onmogelijke taak.

Anekdotische beginselen staan tegenover puur structurele principes; behaagzucht en het verlangen naar schoonheid staan lijnrecht tegenover oorverdovende vernieuwingsdrang. Bij deze buitenissige fruitcocktail is het vergelijken van appelen met peren nog een eenvoudige opgave.

Pay-Uun Hiu

Meer over