Jongerengeweld is een uiting van de onbedwingbare lust naar status en erkenning

Ondanks de Nederlandse consensuscultuur sloegen jongens van Jan de Witt er al eeuwen geleden op los. Maar het karakter van de gewelddadigheid is veranderd....

DE verontwaardiging over openlijke en willekeurige geweldpleging is groot. Groepen jongeren, vaak zwaar beneveld, trappen toevallige passanten of elkaar half of helemaal dood, en aarzelen niet om er met allerlei wapens op los te hakken en te steken. Het gaat daarbij niet om ideologisch geladen stadsguerrilla's van werklozen, maar om blinde agressie van los gestructureerde groepjes.

De verbijstering is inmiddels zo groot, dat het melden van telkens weer nieuwe geweldsuitbarstingen een ware hype is. Sommige gevallen van 'zinloze' geweldpleging zouden enkele jaren geleden geen krant hebben gehaald. Door de huidige (over)accentuering lijkt sprake te zijn van een onverklaarbare explosie van irrationele woede en agressie.

Toch is hier sprake van een type geweld dat in lange tradities staat. Al vanaf de Middeleeuwen rebelleren groepen jongeren op straat tegen de bestaande orde en tegen iedereen die de indruk wekt de ontplooiingsmogelijkheden van die jongeren te willen dwarsbomen.

Het ziet ernaar uit dat we enigszins ontwend zijn dit soort geweld te hanteren, bijvoorbeeld omdat we de indruk hebben dat het zich in de moderne tijd alleen zou voordoen in de vorm van rellen rond sportwedstrijden, oudjaar, kerstboomverbrandingen of luilak. Die ongeregeldheden zijn inderdaad verwant, en vaak ook min of meer ludiek aan te pakken. Maar doodslaan komt ook voor, en daarbij is het verband met het vanouds 'speelse' jongerenvermaak zoekgeraakt.

De loze afslachtingen op straat kunnen niet in het perspectief van criminele afrekeningen in de drugswereld worden geplaatst. En evenmin liggen er verklaringen gereed op het gebied van de allochtonenproblematiek. Racisme is duidelijk niet het richtpunt, hoewel het er bij enige incidenten in het recente verleden wel even naar uitzag.

Nee, het zijn vooral jongens van Jan de Witt die er ongegeneerd op los slaan, zonder duidelijke opgaaf van redenen. Als er doden vallen, lijken ze dat op te vatten als een bedrijfsongeval.

De verbijstering en beangstiging lijken in Nederland nog extra reliëf te krijgen door de overtuiging dat we ons kunnen koesteren in tamelijk geweldloze tradities. Eerder dan het buitenland lijken wij te kiezen voor een consensusmodel; dat nu ook in zijn economische variant wereldfaam begint te genieten.

Wij kennen een zware traditie van eindeloos overleggen. Ook ons parlement straalt dat uit: een wegdommelende minister hangt onderuit ten overstaan van een zeer lege Kamer. Een parlementaire ambiance die aanmerkelijk verschilt van die in de ons omringende landen, waar verbaal geweld en ordeverstoringen verre van ongewoon zijn.

De consensuscultuur zit diep in onze samenleving van burgers en kooplieden. Een verregaand streven naar democratie, grote inschikkelijkheid en pragmatische tolerantie vormen de kern van het nationale overlevingspakket en dus van succesvolle handel in binnen- en buitenland. Daardoor is tevens een poldermodel geboren van een even constant als informeel overleg tussen werkgevers en werknemers in voor iedereen vanzelfsprekende (en dus niet opgelegde) structuren. Een model overigens, dat al sinds de Middeleeuwen bestaat, in de vorm van de gilden. Daarin opereerden bazen, gezellen, leerlingen en knaapjes van een bepaalde bedrijfstak in één allesomvattend solidariteitsverband.

Gegroeid in die specifieke nederzettingsgeschiedenis moeten we geweld met de nodige soepelheid kunnen hanteren. En voorzover dat onvermijdelijk is, kan het zich volgens diezelfde traditie laten onderdrukken en inkapselen. Dat we daarmee ervaring hebben, blijkt misschien nog het duidelijkst uit de wonderbaarlijk zachtzinnige symbiose tussen katholicisme en protestantantisme zoals die in de Republiek tot stand kwam. Elders werden uit religieuze rivaliteit de vreselijkste bloedbaden aangericht. De echo's ervan klinken nog na in Noord-Ierland.

Wellicht is de betrekkelijke onmacht, of eerder onhandigheid van de politie, zoals die nu geëtaleerd wordt, wel veelzeggend. In elk geval maken zowel straatagenten als ME'ers de indruk niet goed met bruut geweld overweg te kunnen, of te wíllen kunnen. Aandoenlijke demonstraties daarvan werden gegeven in de jaren zestig, en een nieuw hoogtepunt diende zich onlangs aan in Groningen: we gaan liever een blokje om, liever blo Jan dan do Jan, 't kan vriezen en 't kan dooien, 't zal zijn tijd wel duren.

Kortom, de Srebrenica-formule, al is het vervelend dat de toepassing hiervan de laatste tijd zo begint op te vallen. De goedmoedige geuzennaam 'dienders' voor de vertegenwoordigers van de gewapende macht sluit uitstekend aan bij dit beeld, die naam komt uit het eigen milieu en moet aangeven dat men daar zelf bij voorkeur over geweldbeheersing denkt in Bromsnor-termen.

Desondanks mag duidelijk zijn dat het voorkomen van geweld ook in onze samenleving vanzelf spreekt. Zowel het gelegitimeerde geweld van de overheid als de 'zinloze' varianten behoren tot de onvermijdelijke smeermiddelen van elke maatschappij. Zonder gewelddadige correcties en uitlaatkleppen loopt de machine vast. Het is alleen zaak de schade zo veel en zo soepel mogelijk te beperken.

Hoe anders het er ook lijkt uit te zien, we zitten op de goede weg. De kans doodgeslagen te worden, was in de Middeleeuwen ongeveer honderdmaal groter dan nu, terwijl men destijds zelfs duizendmaal eerder slachtoffer werd van lichtere vormen van geweld. Vele eeuwen was geweld een volstrekt normaal fenomeen en werd het overwegend zelfs positief gewaardeerd.

Zo gauw de weersomstandigheden het toelieten, gingen ridders uit vechten. Dat werd van hen verwacht. In veldslagen en toernooien viel grof geld te verdienen. Daarom werden er ook strikte regels en rituelen in acht genomen, zodat er geen doden vielen en de losgelden voor gevangenen vlot binnenvloeiden. Sneuvelde toch iemand, dan was dat een jammerlijk ongeluk of een terechte straf voor wie zich niet aan de regels had gehouden.

Ook de kerk ging allerminst vrijuit. Meedogenloos werden heidenen en ketters afgeslacht. Maar fundamenteler was de minachting voor het menselijk lijf en voor het aardse leven in het algemeen. De voor een gelukzalige eeuwigheid bestemde ziel moest tijdelijk verblijven in een gore en steeds verder 'wegrottende drekzak vol slijm, bloed en etter'. Weet wel zondaars, riepen middeleeuwse volkspredikers, dat iedere sterveling tussen urine en ontlasting geboren is. Monniken en nonnen tuchtigden dat bedorven lichaam met zwepen van egelpels en rigoureuze vastenexercities. Ook daardoor kwam de christelijke houding tegenover geweld nogal nonchalant over.

In bepaalde gevallen werd het aangeprezen als middel tot zuiverende perfectionering. Anna Bijns, Antwerps dichteres, ging zelfs zo ver dat ze de voordelen van een gewelddadige dood uiteenzette. 'Word je vermoord door de Gelderse roofridder Maarten van Rossem, dan vaart je ziel gelijk door naar de hemel. Daarom valt deze boef te prefereren boven Maarten Luther, die met zijn flemende praatjes immers je ziel naar de eeuwige verdoemenis helpt.' Het uitoefenen van geweld behoort bij het christendom, al was het maar vanwege zijn voornaamste symbool: een op twee latten vastgespijkerde man.

Geweld is in het preïndustriële tijdperk permanent aanwezig, zowel op straat als in huis. Vechtpartijen, lichaamsstraffen, executies en het slachten van dieren behoren tot het openbare leven. Op school is de lijfstraf het richtpunt van de didactiek. En thuis is dat niet veel anders. Vader heeft een vrijwel onbeperkt recht om vrouw en kinderen hardhandig de les te lezen, op voorwaarde dat zij daar geen blijvende beschadigingen aan overhouden.

Een politieverordening in het Zeeuws-Vlaamse Aardenburg maakt daar een veelzeggend grapje over in de late Middeleeuwen: 'Een man heeft het recht zijn vrouw te slaan, te steken en met een mes te verwonden; hij mag haar zelfs opensnijden van top tot teen om zijn voeten in haar bloed te warmen, als hij haar maar weer dichtnaait en zorgt dat ze in leven blijft: dan loopt hij geen boete op.'

Vanaf de veertiende eeuw wordt een ontwikkeling zichtbaar waarin de stad een waarlijk vredesoord moet worden, natuurlijk in de eerste plaats met het oog op de handel. Langzaam maar zeker probeert men het geweldmonopolie exclusief bij de plaatselijke overheid te leggen, overigens in het kader van een veel breder beschavingsoffensief, dat persoonlijke beheersing en controle dicteert, aan de hand van een groeiende reeks verboden die bovenal willen leren dierlijke impulsen te onderdrukken. Vooral de adel heeft het moeilijk met de dwang de wapens te leggen. Van oudsher behoort het geweldmonopolie toch hun toe!

Maar ook stedelingen blijven bij het minste of geringste messen tevoorschijn halen. Opmerkelijk is dat men nog tot ver in de Nieuwe Tijd onmiddellijk ontbrandt bij een vermeende aantasting van het eergevoel. Het zeventiende-eeuwse Amsterdam vertoont dagelijks geweld op straat en vooral in de kroeg, omdat men uitgescholden is voor dief of hoer: meteen wordt naar het mes gegrepen. De plaatselijke politieverordening uit die tijd schrijft voor dat men niet moet provoceren door het 'tonen van een kwaad gelaat'.

Deze stedelijke agressie komt voort uit onzekerheid en angst. De handhavers van de openbare orde zijn niet in staat die dag en nacht voor alle ingezetenen en bezoekers te garanderen. Daarom zoekt men zijn heil in lokale solidariteitsgroepen die bescherming moeten geven, alleen al door de preventieve werking die van het lidmaatschap zou uitgaan. Zo fungeren de familieclans ook, tezamen met de beroepsgilden, geestelijke broederschappen, rederijkerskamers en schutterijen. Een bijzondere vorm van dergelijke veiligheidsnetwerken bestaat uit jongerenbendes, die niet alleen onderlinge bescherming bieden, maar ook allerlei vormen van straatterreur uitoefenen om hun macht te accentueren en hun toekomst in de gezeten samenleving zeker te stellen.

We kennen deze verenigingen in diverse vormen, vanaf de veertiende tot in de achttiende eeuw. Ten onrechte is veelvuldig verzuimd de verschijningsvormen van zulke los samenhangende bendes in de moderne tijd te herkennen. Ze zijn de directe erfgenamen van de spontaan gewelddadige groepen uit vroeger eeuwen en uit hun zeer traditionele gedrag valt veel te leren.

Vooral tijdens feestdagen - en nog eens in het bijzonder gedurende de dagenlange carnavalsvieringen - trokken bendes ongehuwde jongelingen langs de straten. Onder aanvoering van hun leider, die de spottitulatuur droeg van jonker, koning of keizer, oefenden ze een soort standgerecht uit, dat zich meestal richtte op herstel en handhaving van een orde waarvan zij later als gezeten burgers dachten te kunnen profiteren. In de praktijk kwam dat neer op de openbare bestraffing van ontrouwe en bedrogen echtgenoten, pantoffelhelden, bazige vrouwen, en veel te oude of van elders afkomstige mannen die met een meisje uit hun midden wilden trouwen. Daarnaast eisten ze van voorbijgangers drank, eetwaar, geschenken en gewoon geld, ranselden ze her en der anderen en elkaar af, en ontstaken ze grote vuren.

Deze jongelingen ontlaadden zich een of meer keer per jaar om al hun angsten en onzekerheden, het gebrek aan identiteit en vooral aanzien en erkenning, te bezweren in collectieve rituelen. Tegelijkertijd spreidden ze hun toekomstige bed door maatregelen te nemen die het aantal huwbare meisjes zo hoog mogelijk moesten houden. Voor hen was het aan de kaak stellen en verdelgen van alles wat een bedreiging leek of zou kunnen zijn voor die toekomst, zeker geen 'zinloos' geweld, maar een betekenisvolle ontlading, gebed in een veel algemenere zucht naar erkenning. En binnen hun tijdelijke en met veel drank overgoten begeestering kon ook een toevallige voorbijganger het slachtoffer worden van dit panische minderwaardigheidsgevoel. De stedelijke overheden kwamen hen een eind tegemoet. Ze namen de quasi-serieuze titulatuur van de leiders over, schonken wijn en gaven de volksgerichten of charivari (ketelmuziek) ruim baan. Ook werd geprobeerd dit voortdurend losbarstende jongerentumult om te buigen naar meer sportieve wedijver in de vorm van toernooien en toneelspel. Maar menigmaal zag de overheid zich gedwongen in te grijpen, zelfs in die mate dat de charivari vanaf de zestiende eeuw uit het straatbeeld verdwenen.

De rituele opstandigheid van de nog niet gevestigde halfvolwassenen was daarmee echter allerminst van de baan. Steeds stak ze in de meest onverwachte vormen weer de kop op, niet alleen in volksgerichten zoals nog in het Staphorst van 1961, maar ook bij het brandstichten rond oud en nieuw, luilak en rellerigheid in het algemeen op hoogtijdagen.

Jongerengeweld is een uiting van de onbedwingbare zucht naar erkenning en status. Bij het wegvallen van de traditionele kaders van geloof en ideologie, zoals vanaf de jaren zestig pijlsnel is gebeurd, neemt het gevaar toe dat jongeren doelloos gaan rondwaren. Met hun onaanzienlijke baantjes kunnen ze geen enkel respect afdwingen, kerk of partij bieden geen houvast meer, en toch worden ze dagelijks geconfronteerd met een succesvolle samenleving vol trendy verschijnselen als Internet, zaktelefoons en zwaarbetaalde voetballers. Aan de rand mogen ze een beetje meedoen, maar tegelijkertijd blijkt dan hoe weinig kans ze maken ooit een volwaardig deelnemer te worden. Zulke jongeren lopen rond als ongeleide projectielen, levensgevaarlijk voor wie op een verkeerd moment binnen hun gezichtsveld komt.

Hun gewelddadig optreden verraadt een enorme zucht naar prestige, vaak spontaan opkomend uit grote overgevoeligheid. Het klinkt vreemd om over wangedrag in zulke termen te spreken, maar kwetsbaarheid, eergevoel en hevige schaamte kunnen bij deze jongeren snel een kookpunt bereiken. Ze hebben niets van enige betekenis te bieden, overgeleverd als ze zijn aan een eigen schaamtecultuur die voortdurend om wraak roept.

Opvallend is dat de daders van de laatste maanden zo vaak aanvoeren dat hun slachtoffers begonnen zijn door hen uit te dagen, door de indruk te wekken hun territorium te willen betreden of zelfs aanstalten zouden hebben gemaakt hun iets af te pakken. Binnen die paranoïde territoriumdrift is al helemaal geen plaats voor correcties van buitenaf in de vorm van kritische opmerkingen of een tussenbeide komen bij rituele afrekeningen. Zijn ze eindelijk bezig orde op zaken te stellen in hun eigen imperiumpje, dan is inmenging door de buitenwacht solliciteren naar brute verdelging.

Bovendien sorteert openlijke geweldpleging op straat onmiddellijk effect, aangezien de gezeten burgerij daar allang niet meer aan gewend is. Geweld is voor ons geïnstitutionaliseerd, zoveel mogelijk onzichtbaar gemaakt en bovenal gefictionaliseerd, hetgeen zelfs geldt voor de oorlogsreportages op tv. De omstanders deinzen uiteen, iemand schiet videobeelden van achter een boom, de politie is elders druk elders bezig. Toch kunnen de geweldplegers rekenen op een brede publiciteit, die ook meteen een beloning is, namelijk de erkenning van een ontzagwekkende status. Alleen al het uiteindelijk op de been brengen van tamelijk radeloze cohorten politie geeft een enorme lift aan eigendunk en prestige.

Bij het zoeken van oplossingen moet terdege rekening worden gehouden met dit morele vacuüm waarin overgevoelige jongeren verkeren. Dan ligt het voornaamste antwoord inderdaad in het aanbrengen van nieuwe kaders en houvasten. Het was achteraf naïef te menen dat de snelle debunking en afbraak van werkelijk alle ideologieën en geloven in de laatste vijftig jaar zomaar straffeloos zouden kunnen verlopen. In elk geval is het aantal spirituele kwakzalvers dat hiervan profiteert nog immer groeiende, of ze nu Jomanda heten, Redfield of Ratelband.

De nieuwe kaders kunnen niet eenvoudig genoeg zijn. Voor een belangrijk deel hebben velen die al gevonden in het oranjegevoel, culturele uitingen in het algemeen, voetballen, maar ook in de natuur en de drumband. Meer systematisch dienen nieuwe kaders voort te spruiten uit onderwijs op elk niveau. Daar moet het hele palet aan zingeving en verfraaiing van het leven onderwezen worden. Meer dan ooit maken die levensgevaarlijke jongeren duidelijk hoezeer onderwijs het brandpunt van de samenleving dient te zijn. Wat daar tekortschiet en misgaat, krijgt de maatschappij later onherroepelijk op haar brood.

Het lijkt dan ook buitengewoon noodzakelijk om met veel meer geld de belangrijke taak van de voorvechters in het onderwijs te erkennen, juist op die moeilijkste plekken aan de basis, waar al meteen de vroegste afhakers geboren worden. Bovendien moet er veel nieuw talent aangetrokken worden. Dan kunnen er nieuwe didactische strategieën op tafel komen, die in principe iedereen voldoende brandstof moeten bezorgen om een bevredigend leven op te zetten. En het resterende jongerengeweld moet dan maar zijn weg vinden tussen een zorgvuldig gedoogbeleid en een even duidelijke zero-tolerance, die beide de nodige aandacht schenken aan de onvermijdelijkheid van rivaliteit, territoriumdrift en statuszucht.

Meer over